Terug
Werkgroep Gidsen Zevenbergenbos
 
voorzitter Michel Levens
 
  Nieuws
   
21-02-2016 Veldexcursie: sporen
24-01-2016 Veldexcursie wintervogels
13-12-2015 Veldexcursie Hoogenaard
23-10-2015 Cursus "Live-traps muizen"
27-09-2015 Veldexcursie: paddenstoelen
31-05-2015 Zomerwandeling met gids
03-05-2015 Cursus Leven in en rondom een insectenhotel: Excursie
15-03-2015 Veldexcursie: voorjaarsbloeiers
08-02-2015 Winterwandeling
25-01-2015 Veldexcursie: Vogels in het Zevenbergenbos in de winter
26-11-2014 Cursus: Leven In en Rondom een insectenhotel 23 april - 30 april - 3 mei 2015
16-11-2014 Veldexcursie
19-10-2014 Begeleide herfstwandeling met gids
21-09-2014 Veldexcursie 21 september 2014 : bomen
06-07-2014 Bij de buren op bezoek: Molenbeekvallei te Vremde
22-6-2014 Veldexcursie 22 juni 2014
04-5-2014 Veldexcursie 4 mei 2014: vogels in het Zevenbergenbos
23-03-2014 Veldexcursie 23 maart 2014
19-01-2014 Veldexcursie 19 januari 2014
08-12-2013 Veldexcursie 8 december 2013
26-11-2013 Uitstap 4de leerjaar basisschool "Oogappeltje" uit Wommelgem naar het ZBB
16-11-2013 Aankondiging ontstaan via eerste nieuwsbrief
29-10-2013 Kick off vergadering
 
21/02/2016 Veldexcursie: sporen
door
Michel
Levens

Voorzitter
Het vorig jaar aangeplante nieuwe bos, staat er prachtig bij wachtend op de komende lente. Uitval van deze jonge inheemse boompjes is er nauwelijks, de fladderiep (scheut uit het Zoerselbos) staat er prachtig bij met jonge knopjes. De kruidlaag vertoont zoals verwacht een opkomende pioniersbeplanting.
Gidsen
Werkgroep
 

Een paar dagen eerder hadden we op de scheiding met de beukenlaan en het jong bos een achttal sporentunnels voor muizen gelegd (zie figuur). Dit kadert in onze natuurstudie over muizen in het Zevenbergenbos en een test van onze gemaakte sporentunnels.

Een constructie van een plastieken buis met een houten lat erin, in het midden op de houten lat een inktkussen (met inkt erop gemaakt van een mengeling van paraffineolie met koolstofpoeder) vastgemaakt met ervoor en erachter een wit papier voor de afdrukken, wat visolie als lokmiddel.

 
  Spijtig maar deze test was een mislukking over de ganse lijn, buiten wat naaktslakjes geen muis noch voetafdrukken op het wit papier te bespeuren. Reden hiervoor was dat de gemaakte inkt op het inktkussen reeds was uitgedroogd, want muizen zitten er zeker er was er zelfs ééntje dat ons kwam uitlachen om vervolgens heel snel te verdwijnen. Dus wat werk aan de winkel om de kwaliteit van de inkt de verbeteren of de hoeveelheid beter te doseren om zo uitdroging op enkele dagen tijd tegen te gaan. Wordt vervolgd ….
 
 

Vervolgens zetten we onze route verder naar de geplaatste camerabak, speciaal door Marc ontworpen om muizensoorten te filmen. Deze camerabak met een cameraatje uit den Aldi heeft zijn diensten de afgelopen maanden al bewezen door filmpjes te maken over aanwezige muizen in de bak (rosse woelmuis en bosmuis). De bak zelf wordt op geregelde tijdstippen verplaatst en om de paar dagen gecontroleerd op resultaat. Ook deze methode wordt vervolgt.

 
 

Verder het bos in naar de plak waar we een paar maanden geleden de dikke blad-humuslaag hebben verwijderd over een oppervlakte van een 30-tal m² om meer ademruimte te geven aan het daar voorkomend maarts viooltje dat de afgelopen jaren sterk in aantal terugliep. Tal van jonge scheutjes zijn reeds zichtbaar en de eerste indruk is dat dit proefvlak succes heeft om de aantallen van maarts viooltje op deze plaats te laten stijgen. Een bewijs dat antropogene hulp soms zijn diensten kan bewijzen aan onze wilde planten. Maar laat ons verder monitoren in de maand maart, optimum periode voor dit plantje.

 
 

Het kick moment van deze veldexcursie was het vinden van een verse slaapplaats van het in onze omgeving vertoevende Damhert. De slaapplaats afdruk vertoond een duidelijke ronde lichaamsvorm.
Meer in de omgeving van zijn slaapplaats vonden we duidelijke pootsporen van het dier die het bewijs leverde dat het over een damhert ging.
Met ons sporenboekje in de hand hebben we een zeer duidelijke voorpootafdruk kunnen thuisbrengen als afdruk van een damhert, nauwlettend op alle details ervan.

 
 

Spitse hoefpunten, spitser dan deze van het edelhert. De buitenhoefwanden lopen bijna evenwijdig, de binnenhoefwand vertoont een lichte holle vorm. Ook het zoolkussen is duidelijk in de afdruk te zien, deze beslaat bijna de helft van de lengte.

Een mooi natuurbelevingsmoment.

 
24/01/2016 Veldexcursie: wintervogels
door
Peter
Van Dun
Lid
Gidsen
Werkgroep
  De ochtend was grijs en somber maar toch gingen er en een 6-tal leden van de gidsenvereniging van Zevenbergenbos op stap in de hoop een duidelijk beeld te krijgen van het winter-vogelbestand. Verrekijker, fototoestel en schrijfgerief bij de hand om zeker niets te missen.
 
  We liepen door weide en houtkant, door bos en langs bosrand, deelden weetjes en echte kennis met elkaar, onderzochten vogelkasten en andere schuilplaatsen. Alleen…….de vogels werkten niet echt mee. We konden ons wel troosten met goudhaantjes, sijsjes, en nog 11 andere soorten maar het had gerust iets meer mogen zijn. Volgende keer beter !
 
 
13/12/2015 Veldexcursie Hoogenaard
door
John
Maes
Voorzitter
Gidsen
Werkgroep
Een regenachtige dag met als thema grondwater, reliëf, bodem en plantengroei. De sfeer zat er meteen in en de pipowagen bewees zijn diensten andermaal als geïmproviseerd buitenklaslokaal ter voorbereiding van de terreinverkenning.
Het watersysteem van het bos van Ranst is enkel te verklaren met een goede digitale hoogtekaart van de omgeving. De kaart is gemaakt met de kleurenschaal van de regenboog (rood is hoger gelegen en blauw is lager gelegen ). De hoogteverschillen op deze kaart zijn relatief. Het laagste deel is tussen 7 en 8 meter hoog (Hogenaard). Het hoogste deel (kerk van Ranst) ligt 13 meter boven de zeespiegel. Dit betekent dat er in het gebied van Ranst een hoogteverschil van 4-5 meter is tussen het hoogst gelegen deel en het laagst gelegen deel.
 
 
Trekken we een lijn van de kerk van Ranst naar het noorden dan dalen we eerst 2 meter af naar het kasteel Zevenbergen en de natte bossen en weilanden ten noorden van het kasteel. De grond is er zandlemig. Hier zitten we in een beekvallei die tijdens en na de ijstijden opgevuld is met beekalluvium. Vervolgens stijgen we opnieuw tot een hoogte van 10 à 11 meter in de droge bossen van Zevenbergen. De zandige bodem in dit gedeelte is plaatselijk zelfs begroeid met dennenbomen. Het is een landduin die bestaat uit door noorderwinden uitgewaaid zand uit de vallei van de Hogenaerdseloop en de verderop gelegen Schijnvallei tijdens de ijstijden (enkele tienduizenden jaren tot honderdduizenden jaren geleden).
De Vlaspoel is aangelegd in een natuurlijke depressie ten noorden van de landduin van het Zevenbergenbos. Op kaarten uit de 17de eeuw was er al een vijver te zien maar stonden de boerderijen er nog niet, die zijn pas later op het einde van de 18de eeuw gebouwd.
Een lager gelegen uitloper van de landduin gaat ten noorden van de Vlaspoel en de Schawijkstraat met een relatieve steilrand van 1 meter hoogte over in de beekvallei van de Hogenaerdseloop en hier wordt de bodem terug zwaar zandlemig (beekalluvium en hier daar restanten van veen). Tijdens de 18de eeuw (kaart van Ferraris) bestond de vallei uit beemden, vijvers en bossen. Natuurpunt beheert nu een groot gedeelte van die weilanden (voormalige beemden) en bossen op de rechteroever van de Hogenaerdseloop.
 
 
De topografie (microreliëf) bepaalt dus in grote mate de bodemsamenstelling. Hoog gelegen betekent meer zandig en eolisch van oorsprong, laag gelegen betekent meer lemig en alluviaal van oorsprong .

De grondwaterstand is in Ranst overal permanent ondiep. De schommeling tijdens de seizoenen beperkt zich tot 2 à 3 meter. We onderscheiden in feite twee watertafels in Ranst. De bovenste grondwaterlaag is gevoed door regenwater dat infiltreert en op laag gelegen plaatsen terug opwelt (kwel) en tot aan de oppervlakte reikt. De kwel is vooral tijdens de winterperiode belangrijk. Dit grondwater door neerslaginfiltratie is relatief arm aan mineralen en de kwel manifesteert zich vooral tijdens de winterperiode. Beken worden erdoor gevoed. Tijdens de zomer droogt de bovenste badkuip uit door verdamping van de plantengroei. De landduin van het Zevenbergenbos is een echte infiltratiezone voor het neerslagwater en onder andere aan de lager gelegen vlaspoel komt dit water terug aan de oppervlakte en wordt het afgevoerd naar de Hogenaerdseloop.
Iets dieper zit een grondwaterlaag die gevoed wordt vanuit kalkrijke en afwisselend zandige en kleiige geologische zeeafzettingen uit het Plioceen en vanuit de dieper liggende ijzerrijke zeeafzettingen uit het Mioceen (zanden van Diest). De voeding van dit geologisch grondwater heeft een ondergrondse noordwaartse stroming omdat de geologische lagen ook afhellen van zuid naar noord. In de laag gelegen beekvalleien van Ranst en ook in de vlaspoel komt dit diepere en onder druk staande grondwater aan de oppervlakte door kwel. Dit grondwater heeft een uitgesproken ijzersmaak en oxideert in contact met de lucht tot water met een roestbruine kleur.
Tijdens het najaar vermindert de verdamping door planten en wordt op de laagste plaatsen dit grondwater uit de grond geperst. Op die plaatsen krijgen we dan ook roestbruin water met uitvlokking van het roest op de bodem. Er worden door chemische reacties ijzersulfaten gevormd en ook fosfaat uit de bodem wordt aan het ijzer gebonden. De verzurende werking van dit proces wordt dan weer tegengegaan door de kalk die in deze geologische lagen aanwezig is. Pas in het voorjaar is de kwel van het infiltratiewater door de neerslag overheersend en verdwijnt de ijzerneerslag in de beken.
Zowel in de vlaspoel als in de Hogenaerdseloop zijn al deze processen meetbaar en zichtbaar aanwezig. De natuurlijke plantengroei reageert dan ook op de door het reliëf en de (hydro)geologie veroorzaakte abiotische context.
 
 
Tijdens de wandeling naar de Hogenaard langs de Hogenaardseloop is de ijzeruitvlokking in het beekwater goed te observeren. Waterviolier in de beken en poelen wijst op de toevoer van mineralenrijk grondwater. Op de vochtige alluviale bodems die ook in de winter profiteren van opstijgend dieper grondwater zijn eerder kalkminnende planten aanwezig (eenbes, keverorchis, gevlekte orchis, bosorchis, gevlekte aronskelk, slanke sleutelbloem, …) door de kalk uit de geologische grondwaterlaag. Waar permanent water aanwezig is, ontstaan op de duur laagjes laagveen waarop in het verlandingsstadium de grote zegge te vinden is. Hier en daar in de vallei van de Hogenaerdseloop zijn dergelijke laagveenpakketjes bewaard gebleven.
De hogere gronden naast de beekvalleien bestaan uit zandige afzettingen van de wind en daar treffen we dan weer eerder een zuurverdragende vegetatie aan (zomereik, berk, lijsterbes, sporkehout, dalkruid, …). Fosfaat van vroegere bemestingen wordt hier niet gebonden omdat er geen ijzer aanwezig is en dit fosfaat blijft ter beschikking van planten. Daardoor kan op deze plaatsen waar vroeger landbouwactiviteit was een woekering van bramen en brandnetels ontstaan als er voldoende licht is. In de echte Ferrarisbossen ontbreekt dit fenomeen omdat er door de afwezigheid van bemesting minder fosfaat aanwezig is.
 
23/10/2015 Cursus "Live-traps muizen"
door
Michel
Levens
Voorzitter
Gidsen
Werkgroep
 

De les live-trap muizen van 23 oktober was een succes niet zozeer door het aantal deelnemers wel door de interesse van de deelnemers.

Joeri Cortens van Natuurpunt educatie was de lesgever. Eerst de kennis over de soorten muizen aanscherpen en de vangmethode uitleggen om vervolgens op stap te gaan om de uitgezette live-trap valletjes te controleren.

 
 

Belangrijk: voor ieders begrip de muizen worden levend gevangen (zitten een zeer beperkte tijd gevangen) in de live-trap valletjes en na determinatie van de soort weer vrijgelaten.

Een dertigtal valletjes werden uitgezet (niet op scherp) in het Zevenbergenbos (bos en weiden) een week op voorrand met voedsel bestaande uit een mengeling van muesli en met beetje (vis)olie, met daaronder gedroogde meelwormen. De vrijdagavond rond 18:00, de avond van de les, werd het voedsel ververst en de live-trap valletjes op scherp gezet. 

Om 20:00 zijn we op stap gegaan om de valletjes één voor één te onderzoeken en de muizen van de bezette valletjes te determineren om ze vervolgens weer vrij te laten.

 
 
Bosmuis   Rosse woelmuis
  Gevonden soorten zijn de rosse woelmuis (Myodes glareolus of Clethrionomys glareolus) en de bosmuis (Apodemus sylvaticus). Vrij algemene soorten van bos en weide.
 
  De aanwezigheid van dwergmuizen (hol en bol grasnestje gevonden) of andere muizensoorten is zeker niet uitgesloten in het weidegebied omwille van niches met hoge graspartijen, maar we hebben ze niet kunnen vaststellen tijdens onze live-trap oefening.

  Daarom hebben we onder andere een paar kunstmatige nestgelegenheden opgesteld voor o.a. dwergmuizen tussen het hoge gras (gemaakt uit een oude tennisbal met gat, gelijmd op een rieten stok) in de weiden.

Opvolgen wordt de boodschap.
 
  Tevens kunnen cameravallen (camera in bak) zowel ’s nachts als overdag film- en fotoresultaten opleveren. We gaan deze cameravallen op geregelde tijdstippen uitzetten. Hopelijk door deze methodes te gebruiken worden de aanwezigheid van Dwergspitsmuizen of andere muizen soorten bevestigd.

We hebben voor oktober 2016 een uilen braakballen pluizen activiteit gepland om via deze methode mogelijk de muizensoorten van het Zevenbergenbos te determineren aan de hand van de skeletjes in de braakballen. Hopelijk hebben we begin 2016 een kerkuilenpaar in onze kerkuilennestbak. Kerkuilen zijn niet kieskeuring, op hun menu staan alle soorten muizen.
 
27/9/2015 Veldexcursie: Paddenstoelen
door
Peter
Van Dun
Lid
Gidsen
Werkgroep
Paddenstoelen wekken steeds verbazing op temeer door de grote verscheidenheid van soorten. Hun vormgeving, hun geur, het substraat waarop ze staan, de kleur van het sporenpoeder maken ze mysterieus om op naam te brengen. Op een excursie van drie uren en onder begeleiding van twee kenners (Sofie Hermans en Ronny Dingemans - werkgroep paddenstoelen Natuurpunt Westerlo) konden we een zestigtal soorten paddenstoelen bewonderen die door de begeleiding op naam werden gebracht. Zonder hen hadden we misschien 200 meter gedaan en vijf soorten op naam gebracht.

De conclusie is eens temeer de verscheidenheid van soorten op de verschillende biotopen. Algemene en eerder zeldzame soorten, wat op zich weer wijst op de enorme diversiteit in het Zevenbergenbos. Weer een zichtbaar bewijs dat het Zevenbergenbos zeer waardevol is. Toegegeven we zijn prille beginners in de paddenstoelen wetenschap, maar we hebben weeral bijgeleerd en dit sterkt ons om te blijven volharden en kennis op te bouwen. Vandaag 60 soorten morgen kennen we mogelijk 70 soorten ….
   
 
  • Determinatie sleutel in boekvorm:
    “Sleutelen met fungi” (Hans Vermeulen, Natuurpunt educatie)
    handige sleutel, duidelijk en sluitend.
  • Website: www.mycofungi.be
    prachtige website van Ronny Dingemans.
  • Hygrofaan: wordt gezegd van een vruchtlichaam (bv. paddenstoel hoed) dat bij uitdrogen bleker en bij vocht opnieuw donker wordt.
   
 

VLASPUT:

  • Eencellige braamroest - Kuehneola uredinis (op bramen Vlasput)

BOSRAND aan vlasput:

  • Witte satijnvezelkop - Inocybe geophylla (bosrand hazelaar)
  • Mycena - Mycena spec.

DREEF VANAF VLASPUT:

  • Slanke trechterzwam - Clitocybe gibba (beuk)
  • Bundelcollybia - Gymnopus confluens
  • Geelwitte russula - Russula ochroleuca (berken-beukenbos, streepjes, paddenstoel breekbaar bijna zoals krijt)
  • Heksenboter - Fuligo septica (gele kleur, slijmzwam)
  • Berkenzwam - Piptoporus betulinus (gaatjeszwam, vroeger gebruikt als speldenkussen)
  • Donsvoetje - Tubaria spec. (hout, beuk)
  • Gewone zwavelkop - Hypholoma fasciculare  (in bundel, op dood hout)
  • Grijze buisjeszwam - Bjerkandera adusta
  • Korstzwam spec. - Corticiaceae spec. (algemeen, berk)
  • Verkleurend vlieskelkje - Hymenoscyphus imberbis
  • Gestreepte trechterzwam - Clitocybe vibecina (berk)
  • Gewoon varkensoor - Otidea onotica
  • Donker hazenoor - Otidea bufonia
  • De inktvlekkenzwam of esdoornvlekkenzwam - Rhytisma acerinum (zwarte vlekken op bladeren van de esdoorn, lijken op zwarte plekken in het blad)Esdoornvlekkenzwam

DREEF NAAR BOSHUISJE:

    • Esdoornhoutknotszwam - Xylaria longipes  (Dodemansvingers)
    • Spikkelplooiparasol - Leucocoprinus brebissonii (Den)
    • Melksteelmycena - Mycena galopus (melkachtige substantie in de steel, plaatjes
    • Varenstreepzwam - Rhopographus filicinus  (op adelaarsvaren)
    • Gewone krulzoom  - Paxillus involutus (naaldbomen, zeer algemeen)
    • Botercollybia - Rhodocollybia butyracea
    • Collybia p.p. - Collybia spec.
    • Waaierkorstzwam - Stereum subtomentosum
    • Parelamaniet - Amanita rubescens (algemene soort)
    • Echt judasoor - Auricularia auricula-judae  (gelatineus, alleen op vlier)
    • Elfenbankje p.p. - Trametes spec. (beuk)
    • Rode korstkogelzwam sl, incl. Oranjebruine kogelzwam - Hypoxylon rubiginosum sl, incl. ferrugineum
    • Paarse korstzwam - Chondrostereum purpureum (populier)
    • Gewone franjezwam - Thelephora terrestris
    • Bekerzwam p.p. - Peziza spec.
    • Valse hanenkam - Hygrophoropsis aurantiaca (niet geruimde bossen)
    • Dennenvoetzwam - Phaeolus schweinitzii (Lorken, gebruikt om wol te kleuren)
    • Dennenvlamhoed - Gymnopilus penetrans
    • Oorlepelzwam - Auriscalpium vulgare (groeit op dennen- en sparrenappels, steel niet centraal in hoed, heel mooi voetje aan stengel)
 
 
Oorlepelzwam   Let op: steel niet centraal in hoed
 
    • Geweizwam - Xylaria hypoxylon (hout)
    • Geel nestzwammetje - Crucibulum crucibuliforme  (sporen springen weg wanneer er water in het bekertje komt)
    • Gestreept nestzwammetje - Cyathus striatus
    • Ziekenhuisboomkorst - Radulomyces confluens  (ruiken ter herkenning)

    CENTRALE DREEF RESERVAAT:

    • Plooivoetstuifzwam - Calvatia excipuliformis (algemeen)
    • Vezelkop - Inocybe spec. (heel moeilijk op naam te brengen zonder microscoop)
    • Witte vlierschorszwam - Hyphodontia sambuci
    • Gewone hertenzwam - Pluteus cervinus (roze lamellen)
    • Paarse knoopzwam - Ascocoryne sarcoides (berk)
    • Suikermycena - Mycena adscendens (haar op voet)
    • Kleine bloedsteelmycena - Mycena sanguinolenta

    OMGEVALLEN BEUK AAN CENTRALE DREEF (begin parkbos, komend van sparrendreef):          

    • Reuzenzwam - Meripilus giganteus (voet beuk)
    • Witte bultzwam - Trametes gibbosa
    • Week oorzwammetje - Crepidotus mollis
    • Houtknoopje - Cudoniella acicularis
    • Echte tonderzwam - Fomes fomentarius (populier)
    • Geel schijfzwammetje - Bisporella citrina (Slijmzwam op dood loofhout - na kweek en microscoop)
    • Wrattig goudbolletje - Oligonema flavidum (Slijmzwam op dood loofhout - na kweek en microscoop)
    • Dikwandig draadwatje - Trichia contorta (Slijmzwam op dood loofhout - na kweek en microscoop)
    • Peervormig draadwatje - Trichia decipiens (Slijmzwam op dood loofhout - na kweek en microscoop)
    • Goudgeel draadwatje - Trichia persimilis (Slijmzwam op dood loofhout - na kweek en microscoop)
    • Fopdraadwatje - Trichia varia (Slijmzwam op dood loofhout - na kweek en microscoop)
    • Slijmzwam spec. - Myxomyceet spec

    GROTE WANDELWEG EN KLEINE BOSJE:

    • Honingklavermeeldauw - Microsphaera trifolii
    • Houtknotszwam - Xylaria polymorpha
    • Zwavelzwam - Laetiporus sulphureus
    • Asgrauwe koraalzwam - Clavulina cinerea
    • Kaneelkleurige melkzwam - Lactarius quietus
    • Bruine bundelridderzwam - Lyophyllum decastes
    • Oranjegeel trechtertje - Rickenella fibula (in mos)
    • Gele knolamaniet - Amanita citrina
    • Panteramaniet - Amanita pantherina
    • Gewoon elfenschermpje - Mycena pura
    • Prachtvlamhoed - Gymnopilus junonius
    • Heksenschermpje - Mycena rosea
    • Witte koraalzwam - Clavulina coralloides

    SPEELBOS:

    • Doolhofzwam - Daedalea quercina (eik)
 
31/5/2015 Zomerwandeling met gids
Filmpje
door
Paul
Boumans
Deelnemer
Wandeling
door
Luce Vos
Lid
Gidsen Werkgroep
Zondagmorgen, 9u, onder goede weersomstandigheden kom ik bij de grot aan de ingang van het kasteel van Zevenbergen aan. Op het programma staat de zomerwandeling in ons mooi natuurgebied. Als gids is het altijd weer opnieuw wel spannend. Zal er veel volk komen? Wat zullen de verwachtingen zijn? Ga ik ze kunnen inlossen? De eerste wandelaars melden zich al vlug aan en voor ik het besef staan er een dikke 20 handtekeningen op de aanwezigheidslijst. Tijd om te starten met de gidsbeurt
  .
  Mijn hoofddoel bij het gidsen is steeds de verwondering bij de aanwezigen te wekken. Natuurlijk probeer ik ook kennis over te dragen, maar toch is een gidsbeurt voor mij eerder een mee verwonderd kijken naar hoe prachtig de natuur toch in mekaar zit. Hoe bijzonder en tegelijk kwetsbaar Zevenbergen is. In de groep wandelaars is een familie met 2 kinderen. Het is direct duidelijk dat de 12-jarige kerel gebeten is door de natuur. Hij staat fier naast de papa en heeft net als papa een verrekijker om de nek. De verwachtingen zijn er. Hij hoopt enkele vogels te zien en misschien wel andere dieren. Al vlug weet ik dat ik gefocust zal moeten zijn, want de jonge heer weet perfect een roodborstje te herkennen aan het gezang. Op mijn vraag wat een bos, een bos maakt, krijg ik zonder aarzelen een perfect antwoord. Zalig is dat. Ik weet, hier kan ik nog iets leren
  .
  Weet je immers dat je naast de geluiden van vogels, ook wind in de bomen hoort?
Weet je dat kleefkruid geen lijm aan de stengels heeft maar kleine haartjes die zorgen dat de plant overal blijft aan 'plakken'?
Weet je dat er nog steeds geplaagd wordt door de vruchtjes ven kleefkruid in mekaars haar te wrijven?
Weet je dat dode bomen een culinaire tractatie zijn voor duizenden insecten?
Weet je dat onder dode stammen dikwijls salamders te vinden zijn? Ze vinden dat een uitstekende schuilplaats.
Weet je waarom salamanders naar waterplassen trekken? Wist je dat ze telkens naar dezelfde vijver trekken?
Weet je dat een mestkever bij de Egyptenaren een heilig beestje was omdat hij achteruit kruipt om een bol mest vooruit te duwen?
Weet je dat er een prachtig insectenhotel gemaakt werd door de werkgroep en dat dit aan de vlaspoel staat?
Weet je dat solitaire bijen er gebruik van maken om er eitje in te leggen?
Weet je dat ze elk eitje voorzien van stuifmeel om voedsel te geven aan de uitkomende larve?
Wist je dat stuifmeel een gele kleur heeft en dat je kon zien dat er bijtjes actief waren in het hotel?
Weet je dat honingbijen nooit in een insectenhotel zullen komen want dat dit sociale bijen zijn die in kolonies leven?
Weet je dat Zevenbergenbos ook nog een mooi weide gebied heeft aan de andere kant van de Schawijkstraat?
 
 

Samenvatting :

Een bezoek aan Zevenbergenbos is een constante verwondering over natuur en de schoonheid ervan. Het was een toffe groep waar ik mee mocht wandelen.
We hebben allen genoten.

 
3/5/2015 Cursus Leven in en rondom een insectenhotel: Excursie
door
Michel
Levens
Voorzitter
Gidsen
Werkgroep

De weersomstandigheden zijn zwaar bewolkt met dreiging van regen, temperatuur 14°C. Onder leiding van onze lesgever – Joeri Cortens – trekken we de wei in over onze Natuurpuntschuur

Dit brengt ons naar de geboorde gaten in de weipalen. Enkele gaten van 8 mm zijn gevuld en de ingang is dichtgemetseld, het zijn recente bezigheden van de Gehoornde metselbij.

Bij de pas gemonteerde mini bijenhotelletjes (twee weken voordien geplaatst) is ook bedrijvigheid op te merken van reeds gevulde gaten, vermoedelijk ook metselbijen (vermoeden gelinkt aan de tijding van de maand mei).

Aan de vloeibeemd merkt Joeri op een weipaal de gevulde gaatjes van de Ranonkelbij (gaatjes van 4 à 5 mm). Een solitaire bij uit de familie van de klokjesbijen. De uitzondering is dat deze bij meer van boterbloemen houdt dan van planten uit de familie van klokjesfamilie (campanulacea).

 

We merken in de wei een bladwesp op. Bladwespen kunnen hun vleugels niet vouwen en leggen deze recht naar achteren op de rug, wat gewone wespen niet doen. Deze solitaire insecten hebben geen 'wespentaille' en steken niet. Het borststuk is vergroeid met het achterlijf.

Iets verder bemerken we de eerste hommel op onze wandeling. Duidelijk een koningin Steenhommel (+/- tussen de 22-26 mm lang). Het eind van het achterlijf is ros-rood gekleurd.
Aan de ingang van de achterliggende vlinderweide merken we de Tweekleurige koekoekshommel op. Deze heeft een zwart gekleurd achterlichaam met een witte achterlijfspunt. Een gelige band aan de voorkant van het borststuk.

Iets verder op de vlinderweide een Akkerhommel. Beharing op borststuk roodbruin, op eerste 4 segmenten van het achterlijf donkergrijs met meer of minder zwarte haren; op de laatste segmenten weer roodbruin behaard. Opgelet : er zijn verschillende variëteiten en ondersoorten. Gekenmerkt door een lichtere of donkere kleurvorm.
Een snuitvliegsoort op de top van een smeerwortel. Een snuitvlieg is een insect uit de familie van de zweefvliegen.

Even opmerken dat in de vlinderweide de smeerwortel massaal aanwezig is, een plant met veel bezoek van vliegende insecten.

Opmerkelijk is het fenomeen dat de bijen en hommels (en vermoedelijk ook andere insecten) met een lange tong het stuifmeel langs de opening van de bloemkroon ophalen, en de bijensoorten met een korte tong via een geboord gaatje langs de zijkant (onderkant bloemkroon) het stuifmeel trachten te bemachtigen (o.a. aardhommel). In de praktijk zijn deze sporen op de bloemen duidelijk waarneembaar.

Ook een vrouwtje Weidehommel vliegt rond de smeerwortel, een kleinere soort hommel. Hebben net als de aardhommel twee gele banden maar met een rood/oranje achterstuk in plaats van wit.

 
 

Een koningin veld- of aardhommel passeert in snelle vlucht de revue maar het is moeilijk het geel / zwart / wit patroon in vlucht te onderscheiden.

De volgende soort die we in deze vlinderweide vinden is de Veldhommel. Behoort tot de aardhommel-groep en lijkt op de gewone aardhommel, maar die heeft citroenkleurige dwarsstrepen in plaats van okergele.
We gaan richting Kempische stal en de Galloway weide. Aan de poel merken we de Gewone sachembij op, een solitaire bij die houdt van korte nestgangen in lemige steile wanden (oeverrand drinkpoel). De mannetjes van de gewone sachembij zijn goed te herkennen aan de lange beharing van de middenpoten (verzamelborstel genaamd). De beharing is lang en dicht en grijsbruin (bij vrouwtjes soms zwart). De mannetjes hebben een opvallend wit gezicht.

Onderweg richting Natuurpuntschuur begint het te regenen, weg zijn de bijen en hommels en net zoals wij gaan ze ergens schuilen.

 
 

We stoppen nog aan het Zevenbergenbos insectenhotel. Joeri wijst ons op de goede inrichting en het modulaire gegeven, en vooral de geslaagde opbouw van de nestgelegenheden (verschillende houtsoorten en ook steen). Geeft nog wat extra tips ter verbetering en opvolging.

We kunnen besluiten dat Zevenbergenbos en vooral de weiden over de Natuurpuntschuur een enorm potentieel heeft voor solitaire bijen en hommels.
Alvast op het To-Do lijstje van de werkgroep gidsen Zevenbergenbos staat:

Maken hommelkast – locatie aan de fruitbomen
Steile leemopkant maken met dakpannen voor de sachembijen

De cursus “Leven in en rondom een insectenhotel”,

was buiten de hoge opkomst ook een succescursus met een hoge en verstaanbare educatieve waarde.
We willen dan ook onze lesgever Joeri Cortens van Natuurpunt-educatie hiervoor bedanken.

 
15/3/2015 Veldexcursie: voorjaarsbloeiers
  Een veldexcursie 2 weken voor onze opennatuurdag, hoog tijd om eens te gaan kijken of onze hoofdrolspelers, de voorjaarsbloeiers, er klaar voor zijn.
door
Peter
Van Dun
Lid
Gidsen
Werkgroep
  Vlakbij de Drogenhofschuur zagen we al speenkruid in bloei. In één van de dreven vonden we met wat moeite maarts viooltje. We denken dat dit plantje het moeilijk heeft met de hoeveelheid bladeren/humus dat het over zich heen heeft gekregen en ook te weinig licht krijgt.We gaan een aantal stroken wat vrijmaken en kijken of er herstel zal zijn. In de buurt van het Boshuisje staat er klaverzuring, een plant die het perfect doet op een schaduwrijke plaats. Stilletjesaan kwamen we in het oudste deel van ons bos, het meest kalkrijke. Daar vonden we onze bosanemonen. Nog niet echt bloementapijten maar we hopen op een tweetal weken zachter weer. Ook veel slanke sleutelbloem langs de kant van de weg. Het viel ons op dat de gevlekte aronskelk echt overvloedig aanwezig was. Een plant in opmars in Zevenbergenbos.
 
 

We wandelden door de Bovenhof en liepen door een zee van sneeuwklokjes. In de hooiweide merkten we een forse uitbreiding van het groot hoefblad. De paarse bloemknoppen priemen door het weidegras. We zochten en vonden ook al knolsteenbreek. Niet echt een lentebloeier maar toch een plant waar we fier op zijn dat hij in deze weide veel voorkomt. Wat verder bespeurden we heelkruid. Tot onze vreugde is het aantal planten fors toegenomen tegen de vorige jaren. Ook de gulden boterbloem doet het erg goed.

We deden tevergeefs een poging om dalkruid en éénbes te vinden. Daarvoor was het duidelijk nog wat te vroeg.
Tijdens de wandeling hoorden we dat de vogels ook echt klaar waren om er een mooie lente van te maken. Bij ons insectenhotel bespreken we nog even de taakverdeling voor de komende Opennatuurdag.

 
8/2/2015 Winterwandeling
door
Peter
Van Dessel
Lid
Gidsen
Werkgroep
  Als ik je voorstel om samen op een winterse zondagvoormiddag mee te gaan wandelen in het Zevenbergenbos van Ranst, zeg je dan:
  • Wat is daar nu in godsnaam te zien of te beleven?
  • Ik blijf wel liever warm binnen
  • Dat bos is maar een “voorschoot” groot, daar ben je toch vlug doorgewandeld?
  • Wat is er nu leuk aan wandelen?

Wel op zondag 8 februari was er zo een winterwandeling in Zevenbergenbos en de 9 aanwezige deelnemers waren wel enthousiast.

Waarom?

  • Omdat er in een bos en zeker in Zevenbergen, dat tot één van de oudste bossen van Vlaanderen behoort, altijd wel iets te zien of te beleven valt, ook al is het bos schijnbaar nog in winterrust
  • Omdat buiten gaan nu eenmaal veel gezonder is dan in de muffe woonkamer te blijven
  • Omdat het gebied van Zevenbergenbos dat door Natuurpunt-Schijnvallei, afdeling Zevenbergenbos, beheerd wordt, gestaag aangroeit en nu rond de 50 ha schommelt
  • Omdat wandelen méér is dan gewoon stappen, maar met ogen, oren en neus verbonden zijn met de natuurlijke omgeving zodat men één wordt met de natuur
  • En ja, dit kan het ganse jaar door in Zevenbergenbos, dus ook tijdens de winter!
  • Op deze eerste kalenderwandeling hebben we reeds de eerste tekenen van een naderende lente mogen ontdekken maar om dit spektakel van bosanemonen, aronskelken, sleutelbloemen e.a. echt te kunnen aanschouwen nodig ik jullie alvast uit op onze open natuur dag van 29 maart eerstkomend, de afwezigen hebben ongelijk!
 
 
25/1/2015 Veldexcursie: Vogels in het Zevenbergenbos in de winter
door
Michel Levens
Voorzitter
Gidsen
Werkgroep
  De veldexcursie staat in het teken van vogelinventarisatie, in ons gebied tijdens de winter.

Zondagmorgen om 9h00 en bij 2°C met een bewolkte hemel vertrekken we met de werkgroep gidsen Zevenbergen aan de Drogenhofschuur, richting kerkhof en openlandschap. Vervolgens gaan we voor een hele tijd het bos in en zetten de weg voort richting kasteel om daarna via de hoofdweg via openlandschap en bosranden terug naar ons vertrekpunt te begeven bij 4°C (12h00) en afwisselend open hemel en regen.

Uiteindelijk strepen we 28 soorten vogels:
 
Blauwe reiger Goudhaan Kokmeeuw Stormmeeuw
Boomklever Grote bonte specht Koolmees Vink
Boomkruiper Heggenmus Merel Waterhoen
Buizerd Holenduif Pimpelmees Wilde eend
Ekster Houtduif Roodborst Winterkoning
Gaai IJsvogel Spreeuw Zwarte kraai
Gans Kauw Staartmees Zwarte mees
  Enkele opmerkingen:
  • Boomklever en Boomkruiper zijn zeer bedrijvig tegenover een week geleden, ook de koolmees is volop aan het werk gegaan en liet van zich horen.
  • Goudhaan aan de sparrenlanen in het bos. Ze beseffen het niet maar de sparren hebben we destijds laten staan omwille van het bezoek van goudhaantjes en mezensoorten in de winter.
  • Ook blij dat sommige onder ons de schichtige IJsvogel hebben kunnen spotten aan de vlaspoel.
  • Ook al is de mus nummer één geworden in de recente Natuurpunttelling, we hebben hem vandaag gemist.
 
26/11/2014 Cursus: Leven In en Rondom een insectenhotel
door
Michel Levens
Voorzitter
Gidsen
Werkgroep
De insecten- en bijenhotels rijzen uit de pan, het is een trendy natuurverschijnsel geworden. Bijna iedere Natuurpuntafdeling, maar ook Jan met de pet heeft een insectenhotel gefabriceerd en geïnstalleerd. So far so good…

Iedereen is er enthousiast over tot je vraagt: “en heb je gasten in je hotel”, meestal is het antwoord: “ja, maar ik weet niet welke soort gasten” …. men geeft dan toe dat ze niet weten welke insecten er eigenlijk te gast zijn.
 
  Direct stellen ze je een hele hoop bijkomende interessante en minder interessante vragen over o.a.… “ik heb een bij gezien met een gele kop en groene vleugels amper 4 mm groot, welke soort is dat?” … of een “lieveheersbeestje zonder stippen, bestaat dat?” … of nog “een spin heeft zijn net gespannen over tal van gevulde gaatjes, zit die te wachten om dat wat eruit komt op te eten?”
  …of nog “heb mijn hotel naar het noorden gericht, want het stond naar het oosten gericht toen kwam er geen insect op bezoek” …maar ook “ik zie dat sommige insecten huizen in de aangebrachte steen module”…“kunnen we ook zandbijen opvangen in of aan ons insectenhotel”
   
  Soms voor de hand liggende antwoorden, maar vaak moet de gids het antwoord schuldig blijven. Gidsen hebben ook hun vragen, zoals welke planten voor welke soorten insecten, of richtlijnen om de beste monitoring te verrichten en aldus je hotel of omgeving te optimaliseren, welke soorten wanneer…

De eerste node die van nestgelegenheid lijkt in de goede richting te gaan, de tweede node die van de vragen te kunnen beantwoorden om aldus interesse te wekken voor de betreffende insecten enerzijds en hun leven te monitoren in en rondom een insectenhotel anderzijds.

Daarom heeft de werkgroep gidsen Zevenbergenbos voor de tweede node het initiatief genomen om bij Natuurpunt educatie aan te kloppen. Zij hebben hierop een educatieve cursus gebouwd. In samenwerking hebben we de organisatie van deze cursus op punt gesteld en ingepland voor 2015
 
   
 
16/11/2014 Veldexcursie
door
Willy De Meester
Natuurgids
Weersomstandigheid: regen, bewolkt

Negen natuurliefhebbers hadden, ondanks de regen, toch zin om deze vierde veldexcursie mee te maken.

De opdracht was op zoek gaan naar (nog) bloeiende planten en paddenstoelen van dichterbij bekijken. Daar waar in het verslag naast de plantennaam in bloei staat wordt bedoeld vers bloemend. Zonder bloei achter de naam is een wat oudere plant maar nog steeds met bloem(en).

Paddenstoelen op naam brengen is niet altijd makkelijk maar dankzij de kennis van Erwin lukte het best.
 
 

Langs de Schawijkstraat (tussen schuur en kerkhof)

  • Knopkruid (in bloei)
  • Madeliefje (in bloei)
  • Scherpe boterbloem (in bloei)
  • Paarse dovenetel (in bloei)
  • Akkerdistel
 

Gewone beurszwam
 
Dooiergele mestzwam
 

Bosweg gemengd jong bos (parallel langs kerkhof)

  • Gewone beurszwam (radijssmaak)
  • Dooiergele mestzwam
  • Grote muur (in bloei)
  • Duizendblad (in bloei)
  • Braam
  • Fluitenkruid
 
 

Vloeiweide

  • Waterviolier
  • Pitrus
  • Echte koekoeksbloem (in bloei, indicator van verarmde grond)
  • Rode klaver (in bloei)
  • Scherpe boterbloem (in bloei)
  • Kruipende boterbloem (in bloei)
  • Gewone berenklauw
  • Knoopkruid (in bloei / indicator verarmde grond)
  • Kale jonker
  • Speerdistel
  • Akkerdistel
  • Jacobskruiskruid (in bloei)
  • Witte dovenetel (in bloei)
 


Beemdkroon

 
Knoopkruid
   
 

Rond de veedrinkpoel

  • Echte kamille (in bloei)
  • Beemdkroon (in bloei)
  • Jabobskruiskruid (in bloei)
  • Witte honingklaver (in bloei)
 
 

Gemeentebos

  • Kale inktzwam
  • Nevelzwam (aangename geur/ vormt heksenkring)
  • een Mycena (mycena soorten zijn met het blote oog moeilijk op naam te brengen)
  • Roodbruine schijnridderzwam
  • Paarse schijnridderzwam
  • Heksenschermpje
  • Gewone krulzwam
  • Zwavelkopje
  • Kaneelkleurige melkzwam
  • Rode koolzwam
  • Gewone botercollybia
  • Spekzwoerdzwam
  • Grote stinkzwam
  • Hertenzwam ( rode sporen)
  • Braakrussula
  • Doolhofzwam (groeit op dode eik)
  • Scherpe Collybia (azijngeur)
 

Heksenschermpje 
 
Roodbruine schijnridderzwam
     

Doolhofzwam - Daedalea quercina
 
Grote kale inktzwam
   
 

Richting vlaspoel

  • Berkenzwam (of Berkendoder ! )
  • Zwavelkopje
  • Geweizwam

Vlaspoel

  • Kopergroenzwam
  • Honingzwam
 
  Gezien de weersomstandigheden was het wel te verwachten nog bloeiende planten te vinden, maar zoveel ?

Dankzij een paar regendagen konden we ook een mooi aantal paddenstoelen ontdekken.
 
19/10/2014 Begeleide herfstwandeling met gids
door
Peter Van Dun
Natuurgids
  Dikke jassen, noch sjaals of laarzen waren nodig op 19 oktober om van de natuur in het Ranstse Bos te genieten. Een herfswandeling in korte mouwen, het is weer eens wat anders. Haast even vreemd als onze lentewandeling in 2013 toen we tussen de sneeuw naar de voorjaarsbloeiers moesten zoeken.

De gids was een beetje overdonderd door het grote aantal deelnemers dat kwam opdagen. Aan een 50-tal mensen kan je natuurlijk niet alle details laten zien die ons Zevenbergenbos te bieden heeft maar toch werd er bijzondere aandacht besteed aan het prachtige nieuwe insectenhotel en de werken van de laatste weken rond de Vlaspoel. Het was ook de bedoeling om de grote rijkdom aan paddenstoelen in ons bos te bekijken maar die lieten verstek gaan. Daarvoor was het blijkbaar iets te warm. We probeerden het zeer aandachtige publiek enthousiast te maken voor ons wondermooie stukje natuur en we denken dat dit heel goed gelukt is.
 
21/9/2014 Veldexcursie Bomen
door
Luce Vos
Natuurgids

We starten onze veldexcursie aan het afgewerkte insectenhotel naast de vijver. Achter de schuur werd de vijverrand bomenvrij gemaakt en is het hotel op een stevige fundatie rechtgezet. De modulaire structuur gebruikt es en eik als hoofdhoutsoorten. Volgende modules werden voorzien  : houtschijven met voorgeboorde gaten ( tussen 4 en 12 mm) voor de metselbijen, steensoorten met gaten voor de steenbijen, een kast met verticale gleuven voor oa vlinders, een kast voor lieveheersbeestjes (met een horizontale gleuf zoals een omgekeerde brievenbus), modules met stro en dennenappels voor oa sluipwespen. In open gleuven werden vliertwijgen gestoken. Het vliermerg wordt door de metselbijen als onderdeel van hun metselspecies gebruikt. Aan de voet van het hotel liggen enkele dakpannen. Omdat het hotel dicht bij de vijver staat verwachten we hier eventueel schuilende salamanders aan te treffen. We hebben de intentie om dit insectenhotel van dichtbij te monitoren. De geplande cursus in 2015 is hiervoor de aanzet.

 
 

Op de excursie van vandaag gaan we bomen bestuderen/inventariseren. Welke bomen treffen we aan in ons bos?

Het is 21 september, het begin van de herfst, alhoewel de temperatuur de laatste dagen helemaal geen herfst doet vermoeden. Wel het ideale moment om nog eens stil te staan bij het vallen van de bladeren en het waarom. Een boom bevat naast vele andere stoffen eveneens auxine en abscinezuur. Auxine is afgeleid van het griekse woord αυξειν (auxein) wat groeien betekent. Het is een groeihormoon dat de groei stimuleert. Abscinezuur is een groeiremmer. Een verhoogde concentratie van abscinezuur gaat de plant voorbereiden op een rusttoestand. Waar het blad aan de tak vastzit worden de kanaaltjes afgesloten. De sapstroom kan niet meer naar het blad. Er wordt uiteindelijk een afsluitende laag gevormd en het blad laat los van de plant.

Rond de vlaspoel zien we naast duidelijke aanplantingen (rechte rijen), een spontane groei van soorten:

  • Sporkehout of vuilboom
  • Zwarte els (Alnus glutinosa): het blad is afgetopt. Zwarte els staat graag op natte, kalkrijke plaatsen. Wanneer we een els kappen gaat het hout rood kleuren. Door deze kleur van bloed dacht men vroeger dat er een kwade kwelgeest in de boom leefde. Men vermeed dan ook het omhakken ervan.
  • Rode kornoelje (Cornus sanguinea): heeft een parallel nervig, lancet- tot eivormig blad. De nerven bevatten latex. Bij voorzichtig scheuren van de bladeren zien we de latex draden die de bladhelften bij elkaar houden. In de winter vallen de rode twijgen van deze struik op.
  • Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus): enkelvoudige bladeren, kruisgewijs tegenoverstaand. Eirond en toegespitst, gekarteld met korte bladsteel. Vooral herkenbaar zijn de vruchtjes. De 4-lobbige rood-paarse doosvrucht lijkt op het hoofddeksel van een kardinaal. Wanneer het vruchtvlees openscheurt ziet men de 4 gele zaadjes die door vogels gegeten en verspreid worden. De zaden zijn giftig voor de mens. Het exemplaar langs de vijver heeft een atypische vorm. Dit door de concurrentie van de elzen die kort geleden gekapt werden ten voordele van het insectenhotel.
  • Hop: is eigenlijk een plant, geen boom. De hop baant zich een weg naar boven door langs de takken van de elzen te slingeren.
  • Hazelaar (Corylus avellana): struik die algemeen voorkomt. Veel vertakte struik met dicht gebladerte. Bladeren rond tot omgekeerd hartvormig. Zeer vroege bloei. Kleine prachtige rode vrouwelijke bloempjes zijn van januari al te vinden op de struik. Mannelijke gele, hangende katjes vindt men op dezelfde struik. De hazelaar is éénhuizig. Windbestuiver, bladvorming vindt de bevruchting plaats. Eetbare noten, hazelnoten (lekker in choco!)
  • Lisdodde: we bekijken even de lisdodde met vrouwelijke bloem onder de mannelijke bloem bovenaan de  stengel.
  • Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus): blad heeft 5 hoofdnerven en is tamelijk groot. Dit kenmerk is een typerend onderscheid met de bladeren van de plataan (deze laatste heeft slechts 3 hoofdnerven).
    De bladeren van de Gewone esdoorn zijn diep ingesneden, de lobben grof en onregelmatig getand. De Noorse esdoorn heeft iets kleinere bladeren maar is scherper getand en minder fel ingesneden. Beharing in de nerfhoeken aan de onderzijde van het blad. Bladsteel rood aangelopen. Een ander onderscheid met Noorse esdoorn zien we aan de vruchtjes. De vleugels van de vruchtjes bij de Gewone esdoorn vormen een scherpe tot rechte hoek. Het zaad is opgezwollen en afgerond. De vleugels aan de vruchtjes van de Noorse esdoorn vormen een stompe hoek. De vruchtjes zijn sterk afgeplat.
  • Veldesdoorn (Acer campestre): Ook wel Spaanse Aak genoemd. Blad heeft eveneens 5 hoofdnerven, maar is veel kleiner dan bij de Gewone of Noorse esdoorn. Erg diep ingesneden, lobben met stompe tanden. De vleugels aan de vruchtjes van de Veldesdoorn staan nagenoeg in een rechte lijn. We zien het onderscheid met de Gewone esdoorn heel goed hier, want beide staan naast mekaar aan de vlaspoel.
  • Vlier (Sambucus Nigra): struik met veervormig samengestelde bladeren. Een blad bestaat uit 5 of 7 getande, eironde deelblaadjes. Nerven een weinig behaard. Zeer buigzame takken. Vooral gebogen onder het gewicht van de vruchten. Takken breken heel eenvoudig. Opvallend kenmerk zijn de geelbruine schors met talrijke verdikte kurkporiën (het lijken wel wratjes op de takken). Zowel bloemen als bessen worden gebruikt in gerechten of als siroop. Van de bessen werd dikwijls een hoestsiroop bereid. Een andere toepassing is het bereiden van vlierjenever.
  • Canadapopulier (Populus X canadensis): achter de eerste boom- en struiklaag rond de vijver zien we een grote Canada populieraanplant. Een deel van deze Canadapopulieren werd een 10-tal jaar geleden gekapt om licht te brengen in de vlaspoel. De Canadapopulier is de verzameling van populieren ontstaan door kruising van de zwarte populier met een Amerikaanse soort die midden 18e eeuw bij ons werd ingevoerd. Het zijn snel groeiende bomen die 100 tot 150 jaar kunnen worden. Ze zijn economisch interessant omdat ze na een 30-tal jaar al gekapt kunnen worden, als is het hout van een bedenkelijke kwaliteit (o.a. gebruikt voor kratten en lucifers). Vandaar dat ze ook massaal aangeplant werden en worden.
 
 

We trekken het bos in en komen eerst in een gedeelte dat als productiebos ontstaan is. Aan de bosrand zien we een eerste Olm of Iep.

 
  • Ruwe iep (Ulmus glabra): Asymmetrische bladvoet is het kenmerk van een iep. Er komen in België 3 soorten voor; de gladde iep, de ruwe iep en de steeliep (of fladderiep). Ze hebben een sterke neiging tot kruisen wat determinatie moeilijk maakt.
    Een belangrijk kenmerk is het gevleugeld nootje. Bij de ruwe iep zit het zaadje centraal in de vleugel. De vleugel zelf is niet ingesneden. Terwijl bij de gladde iep het zaadje in de bovenste helft van de vleugel zit en de rand raakt. De vleugel is bovenaan iets ingesneden. Aangezien er geen nootjes zijn proberen we de bladeren te herkennen. Bladeren zijn eivormig en spits eindigend. Bladrand dubbel getand, korte bladsteel die weinig behaard is. De twijgen zijn behaard. We besluiten dat het een ruwe iep is.
    Iepsoorten leveren zeer sterk hout. De bladeren van de Iep werden vroeger aan koeien gegeven omdat dit de melkproductie zou verbeteren. Dit gebeurde eveneens met de bladeren van de Es.
 
 

In het bos (oorspronkelijk productiebos) zelf zien we:

  • Ruwe berk (Betula pendula): het is niet eenvoudig om de bladeren van de berk te bereiken dus zoeken we een ander kenmerk om te determineren. De berken die hier staan hebben donkere dwarsgeplaatste lenticellen en grote ruitvormige barsten. Aan de voet van de stam vormen zich donkere barsten. Dit duidt op een ruwe berk. Een zachte berk behoudt meer zijn witte stam. Zachte berk vind je meer op natte plaatsen, drogere plaatsen zijn voor de ruwe berk (nota: dit geldt enkel bij spontane ontstane exemplaren, niet aangeplant). De berk kan zeer goed tegen de zon door zijn stevige bast. Door de vele lenticellen heeft hij een goed isolatie. Een berk is een vrij jonge boom. Hij kan tot 75 jaar worden. Het zijn pioniers op droge plaatsen.
  • Beuk (Fagus sylvatica): aan de andere kant van het pad staan grote beuken. Deze werden eveneens aangeplant. Een beuk groeit traag en kan zeer oud worden. De eerste 30 levensjaren zal de beuk geen noten voortbrengen (geen voortplanting ->jonge boom). Rode beuk is een cultivar. In Zwitserland ontstaan uit experimenten met anthocyaan wat een betere bescherming tegen de zon zou opleveren. Een beuk kan immers niet tegen zon op de bast). Hiervoor is de bast te dun en de boom zou vlug uitdrogen in vlakke zon. Daarom zal een beuk steeds zijn stam trachten te beschermen door lange overhangende takken met een dik bladerdek. De rode beuk dankt zijn rode bladeren aan het anthocyaan en de rode kleur in het hout. Hij kan echter evenmin tegen rechtstreekse zon op de bast.
   
 

Om de leeftijd van een boom te weten vond Michel volgende tip terug in een cursus: neem op 1,5m hoogte de omtrek in cm van de boom. De leeftijd van de boom bereken je door de gemeten lengte te delen door 2,5. Dit zou enkel gelden voor oudere bomen. We proberen de regel toe te passen op een populier langs de weg. We meten 465cm. Volgens de rekenregel zou de populier dus 180 jaar oud zijn? Moeilijk te geloven. Wellicht is de regel niet echt toepasbaar voor elke boomsoort.

   
 
  • Weymouth den (Pinus strobus): deze densoort is geïmporteerd uit Amerika en als praalboom geplant op verschillende hoeken in het productiebos. De boom is echter niet aangepast aan ons klimaat (roestziekte). De bomen zijn allen afgestorven. Ze leden aan een roestziekte die de bast aantastte en op die manier de boom blootstelde aan kevers en insecten. Men ziet de vele gaten veroorzaakt door kevers in de boom.

  • Zomereik (Quercus robur): gelobd blad is kort gesteeld en de eikelnapjes zijn lang gesteeld. Dit zijn de kenmerken van de zomereik. Bij een wintereik hebben we lang gesteelde, gelobde bladeren en kort gesteelde eikelnapjes.
    Ezelbruggetje: in de zomer zit de boer in korte (bladsteel) broek een pijp (lange steel aan napje) te roken, in de winter draagt de boer een lange (bladsteel) broek. In Vlaanderen vindt men meestal Zomereik. Wintereik vindt men meer in de Ardennen. De zomereik heeft eivormige eikels die geribbeld zijn.
  • Amerikaanse eik (Quercus rubra): dit is een exoot. Deze eiksoort heeft wel stand kunnen houden in ons klimaat. Door het gebrek aan natuurlijke vijanden gaat hij hier zelfs andere planten overwoekeren. Het blad is langwerpig, onregelmatig gelobd met spitsere uiteinden. Het blad is groter dan dat van de zomer-en wintereik. Het heeft eveneens een lange bladsteel. De eikels zijn cilindervormig, kort gedrongen met vlakke top. We vinden nog hier en daar een exemplaar in het productiebos.
    Jef toont ons het eikenblad waar we duidelijk kunnen waarnemen dat de bovenkant glad is als bescherming tegen de zon, de nerven zorgen voor stevigheid in het blad, en aan de onderkant zien we de huidmondjes.
  • Hulst (Ilex aquifolium): onderaan stekelig getande, donkergroene glanzende bladeren. Meer naar boven toe en op zonnige plaatsen zijn de randen gegolfd en minder stekelig. De reden hiervan houdt men op vermijden van vraat. De bladeren zijn dik en leerachtig. Dit wil zeggen dat de hulst weinig water verdampt en dus zeer schaars water nodig heeft. Hulst groeit zeer langzaam. De aanwezigheid van een hoge hulst duidt dan ook op een oud bos. De hulst is tweehuizig. Enkel de vrouwelijke plant draagt de typische rode vruchten.
  • Linde (Tilia sp): we zien een jonge linde langs de rand van de weg. We namen een blad mee om verder te determineren op soort.
  • Gewone robinea of Valse acacia (Robinia pseudoacasia): samengesteld, geveerd blad. De zittende deelblaadjes zijn ovaal en gaafrandig. De bladsteel is verbreed aan de voet waar de twee steunblaadjes zijn uitgegroeid tot doornen.
  • Gewone es (Fraxinus excelsior): inlandse sterke boom. Tot 40m hoog, rechte stam. De samengestelde bladeren zijn oneven geveerd met 7 tot 13 zittende, fijngetande blaadjes. De bladsteel is gootvormig.
 
 

De aanplant van het productiebos is nog goed te zien, toch is er overvloedig spontane groei van andere soorten. Productiebos bestaat uit Populieren langs ene zijde, beuken langs de andere zijde.

We komen nu in het stuk productiebos aan het boshuisje.

  • Grove den (Pinus silvestris): Deze werden massaal aangeplant als productiehout. Er vond een uitdunning plaats, maar niet voldoende. De open plaats wordt vooral door esdoorn ingenomen. De dennen die nog te dik op elkaar staan gaan langzaam dood. Het stuk bos is spontaan gemengd aan het worden. Wat opvalt, is de verminderde aanwezigheid van paddenstoelen op deze dennen, mogelijk omdat het uitheemse soorten zijn. De kiemen van de in symbiose levende paddenstoelen zijn niet mee geïmporteerd.
    -Esp of Ratelpopulier (Populus tremula): deze populier heeft bladeren met lange, slanke, afgeplatte bladstelen. Bij de minste wind gaan ze kantelen. Hieraan dankt de boom zijn naam, door het voortdurende kantelen is er een constant geritsel te horen.
  • Japanse Lork (Larix kaempferi): aan de andere kant zijn enkele lorken aangeplant. Aan de hand van de kegeltjes kunnen we determineren (de kegelschubben zijn aan de rand gekruld).
  • Fijnspar (Picea abies): naast het boshuisje is er een laan met fijnspar aangeplant.
  • Paardenkastanje (Aesculus hippocastanum): Met zijn grote handvormig samengesteld blad een zeer bekende boom in onze streek. De boom werd eveneens aangevoerd vanuit zuid Frankrijk en heeft de laatste jaren te kampen met een mineermot. Het insect eet het bladmoes uit de bladeren en zorgt zo voor een vroege ‘herfst – look’ bij deze bomen. De boom leidt onder deze insecten, het fotosynthese proces kan immers niet meer plaatsvinden. Benieuwd of deze plaag kan gestopt worden voor de boom verdwijnt.
  • Taxus (Taxus bacata): de enige inlandse naaldboom. Taxus is tweehuizig. Er zijn mannelijke en vrouwelijke bomen. Aan het boshuisje staat een gecultiveerde taxus, maar in het speelbos vinden we de niet gecultiveerde vorm.
  • Rhododendron: uitheemse struik aangeplant om de jacht interessanter te maken.
  • Azalea Moulis: een aangeplante cultuurplant.
 
 

We komen uit het productiebos naar het parkbos. Het parkbos is een echt gemengd bos met Beuk, Zomereik, Es, Esdoorn, Ruwe berk en vele ander soorten.

   
 
  • Knot es : net voor de stergracht die het parkbos omringd is er een aanzet geweest om een dreef te maken met knot es. De aangeplante Essen ging men regelmatig knotten om aldus tot een koepelvormige dreef te komen. Dit project heeft men echter gestopt vanwege het arbeidsintensieve knotten. Eén van de uitlopers liet men verder uitgroeien zodat we nu de indruk kunnen krijgen dat er hier een es geënt werd op een onderstam.
  • Linde met wortelopslag: opnieuw nemen we een blad mee en zullen deze aan het kasteel verder determineren.
  • Esdoorn met schilferende stam: we bewonderen een volwassen exemplaar met prachtige stam.
  • Eenstijlige Meidoorn (Crataegus monogyna): kan tot 10m hoog worden. Het is een doornige struik/boom. De bladeren zijn enkelvoudig met brede, diepe insnijdingen. Deze boom is prachtig wanneer hij bloeit met duizenden wit-roze bloempjes. De bloemen hebben één stijl, vandaar de naam. In deze periode van het jaar is hij vol dieprode vruchtjes. De vruchtjes zijn eetbaar en er kan jam van gemaakt worden. Ze vormen vooral voor de vogels een lekkernij.
  • Notelaar (Juglans regia): is een boom die vooral aangeplant wordt omwille van zijn okkernoten. Dit exemplaar is ontstaan omdat hier een noot terecht gekomen is en de kans heeft gekregen te ontkiemen en groeien. De bladeren zijn oneven geveerd. De deelbladeren zijn groot en hebben gave rand. Wrijven over het blad geeft een doordringende geur.
   
 

We wandelen langs de sparrendreef langs de schapenweide het afgesloten bosgedeelte uit en slaan links af om even de benedenhof in te gaan.

  • Gelderse roos (Viburnum opulus): deze struik komt voor in vochtige, natte bossen. Opvallend in de lente zijn de bloemschermen met opvallende witte steriele randbloemen. Deze bloemen hebben een lokfunctie. Ze trekken insecten aan die dan verder naar de minder fraaie tweeslachtige bloemen in het binnenste schermgedeelte komen. De vruchten van deze struik worden slechts zeer laat door vogels opgegeten. Ze hebben een kwalijke geur en zijn niet aantrekkelijk.
 
   
 

We keren terug naar het kasteel. Hier bekijken we de Linde van dichterbij en trachten te determineren op soort.

  • Hollandse Linde(Tilia europaea): dit is een kruising tussen Zomer- (Tilia platyphyllos) en Winterlinde,(Tilia codata) en bevat dus kenmerken van beide soorten. Een eerste kenmerk zijn de uitlopers of waterloten die we aan de meeste Lindebomen in ons bos zien. Dit is een typisch kenmerk gezien bij de Hollandse Linde. Verdere kenmerken zien we aan de bladeren. Let op : bladeren aan de waterloten kunnen verschillen met deze van de moederplant! We nemen dus bladeren van de moederplant. De bladeren van de Linde zijn omgekeerd hartvormig en asymmetrisch aan de voet. De bladrand is gezaagd. We moeten determineren op aanwezigheid van beharing aan de onderkant van het blad. De Zomerlinde heeft beharing op de nerven, de Winterlinde heeft enkel beharing in de nerfhoeken. We zien op de bladeren van de Linde aan het kasteel beharing langs de nerven, ook in de nerfhoeken is er veel beharing. Het blad van de Linde in het bos heeft dan weer uitgesproken beharing enkel in de nerfhoeken. Een ander onderscheid is aanwezige beharing op de twijgen. De Zomerlinde heeft twijgen die aan het uiteinde behaard zijn. De Winterlinde heeft gladde twijgen. Verder heeft de Zomerlinde bladeren die aan beide zijde groen zijn, terwijl bij de Winterlinde de onderkant van de bladeren blauwgroen zijn.
    Aangezien we kenmerken van beide soorten treffen besluiten we dat we meestal Hollandse Linde in Zevenbergenbos hebben.
   
 

Aan de kasteelgracht is er plots enige commotie. De gele kwikstaart scharrelt er rond aan de grachtoever. De gele kwikstaart is bekend als broedvogel in Zevenbergen. Het is een speciale waarneming want deze vogels zijn vroege trekkers. Het kan zijn dat het zachte weer de trek uitgesteld heeft. We zien 2 exemplaren.

 
 
  • Wilde kersenlaar (Prunus avium): we merken 3 jonge boompjes op langs de grote wandelweg. We kunnen niet direct determineren op soort. Kijkend naar de stam wordt er Wilg geopperd. Het blad doet eerder Appelaar vermoeden. Verder onderzoek thuis wijst eerder in de richting van Zwarte Balsempopulier. Zeker verder te bekijken!
   
 

In het speelbos gekomen kunnen we enkele soorten waarnemen die we nog niet zagen:

  • Haagbeuk (Carpinus betulus): van de berkenfamilie. We hebben haag van Haagbeuk (vooral op natte grond) en haag van Beuk (vooral op droge grond). Als boom kan de Haagbeuk 25m worden. Vooral de stam valt op. Er zit een draaiing in de stam die de boom een gespierd uiterlijk geeft. De bladeren lijken sterk op deze van de Beuk, doch zijn dubbel gezaagd en de bladschijf is gekarteld en niet vlak zoals bij de Beuk. De vruchten zijn niet eetbare nootjes die zitten aan een papierachtig schutblad. Ze vormen trossen. Heel anders dan de beukennootjes.
  • Witte abeel (Populus alba) : de Witte abeel heeft 2 soorten bladeren. Typisch zijn de kleine bladeren die aan de korte loten groeien. Deze bladeren hebben een witte viltige onderkant. Bladschijf heeft verschillende vormen en is grof getand tot gelobd. De bladeren aan de grote loten zijn groter en sterker behaard. De bladschijf is handlobbig en heeft een grof gelobde rand.
  • Lijsterbes (Sorbus aucuparia)
   
 

Terug langs de Schawijkstraat aan de stal weten we van een vorige excursie nog de Wilgen staan. Deze moeten we nog steeds op soort trachten te brengen, maar dit is voor een volgende keer.

Ter volledigheid vermeld ik nog de paddenstoel die we tegenkwamen en die ons niet direct ‘bekend’ voorkwam: het Gewoon varkensoor. Marc plaatste een foto op waarnemingen en zo kon deze al vlug gedetermineerd worden.

 
 

Het was een zeer interessante excursie met verrassende inzichten. Zevenbergenbos biedt een zeer gevarieerd aanbod. Elk stuk bos heeft zijn eigenheid en brengt een andere typische fauna mee. Als natuurgeïnteresseerde geraak je zeker nooit uitgekeken. Steeds heeft het bos weer een verrassing in petto. Ik kan bijna niet wachten tot een volgende gelegenheid om er weer eens rond te lopen.

PS: voor het maken van dit verslag deed ik vooral beroep op het boek ‘Bomen en struiken’ geschreven door Louis Debot en uitgegeven door het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen met medewerking van de Nationale Plantentuin van België. Dit naslagwerk vulde mijn geheugen aan en zorgde voor deze samenvatting van de excursie.

   
 
6/7/2014 Bij de buren op bezoek: Molenbeekvallei te Vremde
door
Luce Vos
Natuurgids
Zondag 6 juli 2014. De weersvoorspellingen beloven een natte zondag. Als we wakker worden komt een aarzelend zonnetje te voorschijn. We zien wel dreigende wolken samentroepen, maar toch lijkt de zon de overhand te halen.

Vandaag gaan we gluren bij de buren. Jef Haverals, die trouw elke veldexcursie in Zevenbergenbos volgde, wil ons vandaag met de nodige fierheid zijn gebied tonen. We worden om 9u aan de Maria Magdalena kapel naast het Don Bosco Instituut verwacht. Achter het instituut bevindt zich de Molenbeekvallei, een natuurgebied in beheer van afdeling Land van Reyen van Natuurpunt.
 
 

De Molenbeekvallei is een typische laaglandbeekvallei, met afwisselend vochtige hooilanden, knotwilgrijen en veel poelen. De vallei is landschappelijk goed bewaard gebleven. Er is weinig bebouwing. Slechts enkele kleine wegen doorkruisen de vallei. Het natuurgebied straalt dan ook een onwaarschijnlijke rust uit. Onverwacht, zo dicht bij de Antwerpse agglomeratie.” Met deze tekst opent de folder over de vallei. En die omschrijving is er bonk op. Vooral de stilte en de rust zijn opvallende kenmerken die onmiddellijk charmeren.

Jef houdt van dit gebied. Met bewonderenswaardige inzet leidt hij ons door het gebied en brengt zijn ervaringen en kennis op een zeer rustige manier over.

De kapel werd door de cisterciënzers gebouwd ter ere van Maria Magdalena. Van 1237 tot 1246 werden er door deze kloosterorde plannen gemaakt om een abdij op te richten op deze plaats. In het klein kastanjebosje dat we op ons pad zullen tegenkomen, heeft men nog restanten van deze bouwpoging gevonden. Uiteindelijk zorgden teveel kwalijke dampen die uit de moerassen kwamen en enkele politieke obstakels ervoor dat de orde naar Hemiksem verhuisde om daar een abdij aan de Schelde op te richten. De kapel trok tot in de 18de eeuw gelovigen aan die kwamen bidden om verlost te geraken van zwerende wonden.

De kapel is omringd door 11 kleinbladige lindebomen en op de hoeken 4 kastanjebomen. Eén van de kastanjebomen is recent gesneuveld aan een honingzwaminfectie. Onder de lindebomen treffen we de typische vuurwantsen aan die meestal bij lindebomen aangetroffen worden. Ze leven vooral van de plantensappen die ze uit de bladeren zuigen. Ze durven echter eveneens soortgenoten aanvallen en uitzuigen. De wantsen scheiden een stof af die mogelijk een toepassing biedt in de geneeskunde. De stof, pyrrhocorine kan mogelijk ingezet worden als antibioticum tegen de beruchte ziekenhuisbacterie.

 
  Tijd nu om het gebied in te trekken. We lopen langs een veld waar luzerne aangeplant werd. Luzerne wordt nu meer verbouwd. Deze plant maakt zelf proteïne aan en wordt naast dierenvoeding ook als groenbemesting gebruikt, nu er quota op dierenmest gelegd werden. De plant zorgt voor een grote aantrekking van vlinders.

Aan de beekvallei gekomen, hebben we een open zicht op de lage weide en genieten we van het weidse uitzicht. Een wespendief doorklieft het luchtruim. We zien duidelijk de witte band in de staartveren. ’t Is te zeggen, de verrekijkerbezitters kunnen duidelijk de witte banden onderscheiden.
 
  De paters verlegden de loop van de Molenbeek. Natuurpunt tracht deze terug in een meer natuurlijke bedding te laten vloeien. Het doel is om de vlakte open te houden. Het gebied wordt dan ook beheerd als grasland.

We nemen een kijk in de kijkhut. Dit was voorheen een paardenstal die midden in een aangekochte weide stond. De stal werd in 2 stukken verplaatst naar de rand van de weide. Daar werd één helft omgevormd tot kijkhut, de andere helft wordt gebruikt om materiaal op te bergen. Van in de kijkhut zien enkelen van ons een roofvogel achteraan de weide op een weidepaal zitten. De vogel zit te ver om duidelijk te bepalen welke soort het is. Algemeen wordt geopperd dat het een valk zou kunnen zijn.
 
  Natuurpunt heeft een samenwerking met de lokale landbouwers. Een boer met Aubrac runderen mag deze runderen laten grazen in het natuurgebied. Aubrac runderen zijn oorspronkelijk afkomstig uit de Cevennes. Ze kunnen nog zelfstandig kalveren en ze zijn bestand tegen extreme weersomstandigheden. De runderen helpen natuurpunt om het gebied te beheren. Ze eten jonge scheuten van wilg, ‘maaien’ gras, houden de beekrand vrij,…

Aan een eerste poel zoeken en vinden we reeënsporen. Er groeit egelboterbloem, moerasdroogbloem en ruwe zegge. Er staat ook bosbies. Allen typische planten van natte vlakten.
 
  We lopen even in het kastanjebosje dat een hakhoutbeheer kent. Men probeert geleidelijk aan licht te brengen door de kastanjes uit te dunnen. Geen eenvoudige opdracht omdat veel Vremdenaren gehecht zijn aan ‘hun’ kastanjebos. De uitdunning heeft al wat resultaat. We zien salomonszegel, sporkehout en andere struiken ontstaan tussen de bomen.

We vervolgen de weg en komen aan de Molenbeek waar een schitterend kleurenpallet gevormd wordt door purperen kattenstaart en gele grote Wederik. Een plakkaat gedenkt de milde schenkster van een legaat waardoor de aankoop van verschillende gronden kon gebeuren. Jef wijst op de brandnetel die een enorme waardplant is voor talrijke vlinders. De brandnetel heeft ook veel te bieden aan mens en dier. Runderen die brandnetel eten, zijn sterker en beter opgewassen tegen ziekten. Geef eens ‘brandnetel’ in in google en je wordt overstelpt met websites vol met de helende en zuiverende eigenschappen van brandnetels.
 
 

In de beek groeit eveneens de blaartrekkende boterbloem. Zoals alle boterbloemen is deze ook zeer giftig. Wanneer de bladeren gekreukt, beschadigd of vermalen worden, veroorzaken ze op de menselijke huid lelijke zweren en blaren. Het blaartrekkende sap veroorzaakt eveneens ontstekingen. Deze bloem werd vroeger dan ook door bedelaars gebruikt om te zorgen dat ze er meelijwekkend uitzagen.

We staan even stil bij een knotwilgenrij, een ander typisch landschapselement in dit natuurgebied. De wilgenkruinen zijn een uitgelezen nestplaats voor talrijke vogels. Ook de ransuil vertoeft hier. Rond de wilgen groeien veel planten als gevolg van de rijke bemesting door de vogels. Langs de beek zien we eppe, of wilde peterselie, en wolfsmelk. Een kikker springt haastig weg als we naderen. Achter ons vliegt de wespendief opnieuw op.

We staan stil bij een meidoorn. Het hout van de meidoorn is zeer sterk en werd vroeger vaak gebruikt voor het maken van een kapblok. Vlakbij zien we een landkaartje (vlinder) op een koeienvla. Het vlindertje haalt voedingstoffen uit de uitwerpselen. De runderen die er grazen, krijgen geen antibiotica, dus zien we opnieuw meer insecten en vlinders die voeding vinden in de uitwerpselen van de runderen.

We wandelen voorbij een eik die jaren geleden een blikseminslag gekregen heeft. Jef vertelt ons dat hier de uitgelezen plaats is om te vertellen dat je bij een onweer zeker nooit onder een eik mag schuilen. Met de lange penwortel trekt hij de bliksem aan. Best is om je zo klein mogelijk te maken. Gehurkt laag bij de grond heb je de kleinste kans dat de bliksem je zal treffen. Het grapje van de schoonma die recht mag blijven staan bij hevig onweer valt bij iedereen in de smaak.

We komen aan een volgende poel waar een heuse vlonder over gebouwd werd. Hier wordt samen met kinderen naar waterdiertjes geschept. Ook aan deze poel zien we sporen van reeën. Ook de sporen van een vos met scherpe aftekening van de nagels treffen we aan, naast de lang gerekte reigerpootafdrukken. Een platbuik zweeft over de poel.

 
 

Verder in de weide komen we aan een plaats waar reukgras groeit. Dit is een indicator van uitbreiding van biodiversiteit, weet Jef. Na wat opzoekwerk vond ik inderdaad dat reukgras duidt op arme bemesting, dus verarmde grond wat aanleiding geeft tot meer soortenrijkdom. Het kauwen op dit gras geeft een karamelachtige smaak. Hieraan heeft het gras zijn Nederlandse naam te danken. Wat verderop komen we aan een 3de poel die omgeven is door bosbies. In deze poel zit vinpootsalamander, alpenwatersalamander en kleine watersalamander. Een pareltje vol waterleven.

Jef zit vol verhalen en ervaringen. Zo bevraagt hij ons of we weten hoe het komt dat een vogel niet van de tak valt als hij slaapt. En waarom de peulvruchten van de brem een zwarte peul hebben. Hebben we al gemerkt dat er lichtere vlekken zitten op de bloem van de gevlekte aronskelk? Een bloem die in Zevenbergenbos veelvuldig te vinden is. Waarom zijn die vlekken er? Of waarom worden insecten aangetrokken door de verraderlijke dauwdruppels op zonnedauw? Vragen waarop hij het antwoord weet. Steeds geïllustreerd met mooie tekeningen en foto’s.

Het was een verrassende wandeling in een schitterend gebied vlak in onze achtertuin. Ook al dragen we Zevenbergen diep in ons hart, de Molenbeekvallei mag gezien worden en zal nog vaak door ons bewandeld worden. Er is nog zoveel te ontdekken en er is zo een rust om van te genieten.

Om te eindigen met de woorden van John

“ Wat een prachtig stiltegebied”.
Dank je Jef, dat je “jouw” troetelgebied aan ons voorstelde!

   
 
22/06/2014 Veldexcursie
door
Peter Van Dun
Natuurgids
Verslag veld-excursie gidsen v/h Zevenbergenbos 22 juni 2014 Een twaalftal personen waren aanwezig op deze zomerse veldexcursie. We bekeken eerst even de weidepalen waar we een paar maanden geleden gaatjes in geboord hadden en mochten tot onze vreugde vaststellen dat ongeveer 40 pct van ons aanbod ingenomen was door solitaire bijen en andere insecten. Dit schiep hoge verwachtingen over wat we in het in aanbouw zijnde insectenhotel zouden te zien krijgen.
 
 

Aan dit hotel wordt naarstig verder gewerkt. We gingen in de schuur even een kijkje nemen naar de stand van zaken en Michel legde ons uit dat we bewoning verwachten van bijen (+/-350 verschillende soorten bestaan er) , oorwormen, lieveheersbeestjes en zoveel meer. Er worden in de houten constructie verschillende kasten gebouwd met hierin telkens een ander soort materiaal. We hopen hierdoor veel verschillende diertjes te kunnen monitoren. We gebruiken als nestmateriaal zoveel mogelijk streekeigen producten. Dus bamboe is wel makkelijk maar dat gaan we niet gebruiken. Wel gaan we een aantal glazen buisjes er tussen plaatsen. Wanneer die dan bezet worden, hebben we weer mooi didactisch materiaal. Er werd ook al veel aandacht besteed aan de plaatsing bij de vlaspoel, vlakbij het water, zuid zuid oost gericht en in de buurt leggen we ook nog een bloemenweide aan.

 
 

Bij het begin van de wandeling probeerden we een plantje met gele bloemen op naam te krijgen. Na wat pogingen kwamen bij stijf havikskruid (Hieracium laevigatum). Een van de minstens 128 verschillende paardenbloemen die er al gedetermineerd zijn.

Marc toonde ons aan de nieuwe stal de prachtige grote keizerlibel en wees ons ook op de zwervende pantserjuffer. Deze laatste soort komt voor in Midden- en Zuid-Europa tot in Midden-Azië en Noord-Afrika. In België was ze tot enkele jaren geleden zo zeldzaam dat ze als niet-inheems beschouwd wordt, maar in warme zomers wordt ze frequenter opgemerkt. Alweer een gevolg van de klimaatsopwarming dus. In Nederland is ze vrij zeldzaam. We zagen hier ook het zevenstippig lieveheersbeestje. De zwarte buik duidde er op dat het om de inheemse soort gaat die erg onder druk staat de laatste tijd. We spotten een jong uit het nest van 4 torenvalken van dit voorjaar en praatten over de concurrentie die de vogel heeft van de havik die in het bos nestelt. Het feit dat we al zoveel jaar na mekaar succesvolle broedsels hebben wil zeggen dat het muizenbestand in en rond het Zevenbergenbos prima in orde is.

 
  In het eikenbos hoorden we erg weinig vogelgeluiden. De vogels hebben nu erg veel werk om hun jonge nakomelingen te voeden. Hier vonden we ook ijle zegge. Kenmerk van zegge is de driekantige steel. Op een vochtige plaats vonden we waterpeper, de pepersmaak is duidelijk te proeven. Deze soort is algemeen voor de bossen van Vlaanderen.
 
  In de gracht langs de grote wandelweg zagen we enorme hoeveelheden stekelbaarsjes. Proper water is dus geen probleem. We vonden iets verder heelkruid en nagelkruid.

In de weide langs de grote wandelweg tiert de akkerdistel nog welig maar toch al veel minder dan 5 à 10 jaar geleden. Ook staan er margrieten. We vinden smeerwortel (wondermiddel tegen reumatische pijnen) en grote klit. Aan het Zevenbergen-kasteel staat er brede lathyrus, een erwtensoort.
 
 

Wanneer we terug het reservaat in gaan, vinden we heksenkruid, robertskruid en gevlekte aronskelk.

We proberen het haviksjong op de horst te zien maar het dier geeft niet thuis of zit wonderwel verscholen. Wanneer we bijna terug aan de vlaspoel zijn, vliegt er een buizerd door het bos.

 
 

Aan de poel zien we drijvend fonteinkruid, sterrekroos en aan de oever moeraswalstro. Even verwarden we dit met het meer zeldzame lievevrouwebedstro.

Dan wandelden we nog even naar de Driepikkelhoeveweg. Daar konden we het terrein zien dat we vanaf dit jaar extra gaan beheren. Het wordt half wei, half bos. Volgens een overeenkomst met de boer die het pachtte tot nu toe staat er nu nog maïs op maar dit wordt afgebouwd. We zagen weer een buizerd cirkelen.

Onze laatste stop was aan de iepen daar langs de weg. Marc wees ons waar we de erg zeldzame iepenpages konden zien. Deze vlinders voeden zich vooral met honingdauw en boomsappen; soms met nectar van diverse kruiden en braam. Ze hebben een nogal verborgen leefwijze en zijn daardoor moeilijk waar te nemen.

 
05/05/2014 Vogels in het Zevenbergenbos
door
Luce Vos
Natuurgids

Het is een frisse, maar heldere morgen met een stalende zon. Aanvankelijk lijken er minder  deelnemers op te dagen, maar wat later dan gewoonlijk staan aan de schuur 18 erg geïnteresseerde vogelvrienden paraat voor deze veelbelovende excursie. Eddy Nagels is vandaag onze gastgids. Samen met een vaste groep vogelkenners zal hij de excursie begeleiden. Terwijl de wandelaars toekomen, wijst Michel ons reeds op de ‘bijenhotel-weidepalen’, de weidepalen waarin enkele gaten van verschillende diameter geboord werden. Een 10% van deze gaten zijn in gebruik genomen. Een succes dus. Eddy zag op een andere locatie glazen busjes die in de gaten gestoken werden. Deze kon men dan uit de gaten halen om te zien hoe een metselbij tewerk ging om haar nest te maken. Een interessante tip die we kunnen meenemen naar het in de toekomst geplande insectenhotel.

We zullen langs de vloeiweide starten. In dit open landschapselement hopen we veel vogels aan te treffen. Daarna trekken we door het bos waar de vogels zich nu beter kunnen verschuilen in het groen. We zullen dus vooral goed moeten luisteren. Vervolgens zullen we op het bovenhof van het kasteel het onlangs ontdekte dodaarsnest bekijken, om dan langs het boshuisje en het haviks- en buizerdnest terug naar de Drogenhofschuur te gaan.

Eddy start met enkele basistips. Wanneer we op stap gaan om flora te verkennen, moeten we vooral goed kijken. Vogels zal je eerder horen dan zien. We gaan dus andere zintuigen moeten aanspreken. Vogels blijven gewoonlijk ook niet op één vaste plaats zitten. Het gaat dus om snelle, bewegende waarnemingen. Een hulpmiddel hierbij is kennis van het habitat. Als je de kenmerken van een habitat kent, kan je er ook de vogels aan verbinden die er te verwachten zijn. Op die manier weet je welke vogels je kan verwachten en kan je gericht uitkijken, en vooral je gehoor toespitsen op deze soorten. Zo kan je in een open gebied met rietvelden en waterpartijen eventueel een Karekiet spotten. Een weiderand afgesloten door palen en een draad is dan weer de plaats waar je een Roodborsttapuit kan aantreffen. In een gemengd eiken- beukenbos ga je de typische bosvogel als Boomklever, Boomkruiper en Spechtensoorten verwachten. Vogels ga je dus vlugger opmerken als je het habitat bekijkt en de vogel-habitat binding kent.

 
 

Verder moeten we ons concentreren op de geluiden dicht bij ons. Vogels die veraf zitten fluiten kunnen we wel horen, maar zijn dikwijls moeilijker om te duiden naar de groep toe. Welk geluid bedoel je juist? Als je het van verderaf hoort is dit moeilijker om aan te geven. Een vogel die dichterbij zingt is eenvoudiger te duiden.

Zoals reeds aangegeven starten we in de open vlakte aan de overzijde van de schuur. Je hebt een open zicht op de lucht waar je overtrekkende vogels kan waarnemen. We moeten dus onze blik naar boven wenden en niet naar de bodem en de planten groei.

De luide, melodieuze zang van de Zwartkop (Sylvia atricapilla) is de eerste zang waar Eddy ons op attent maakt. Langs de Schawijkstraat kunnen we de Zwartkop al duidelijk horen. De zang kunnen we vergelijken met een snelle merel zang.
De zang van het Winterkoninkje  (Troglodytes troglodytes) is het volgende opvallende geluid dat we waarnemen. Let vooral op de triller in de zang. Dit is zeer typisch voor deze kleine vogel die graag in struiken en takkenbossen vertoeft op zoek naar insecten.

Langs het kerkhof, richting Kleine Merrebeek horen we de gemakkelijk herkenbare Tjiftjaf (Phylloscopus collybita). De naam van deze kleine bruine zangvogel is een onomatopee, een klanknabootsing. Op het zicht is de Tjiftjaf echter niet zo eenvoudig te herkennen. De vogel wordt vlug verward met de Fitis. Een duidelijk onderscheid tussen beide vogels zijn de poten. Een Fitis heeft vleeskleurige pootjes, terwijl de Tjiftjaf zwarte pootjes heeft. Je moet de poten dan wel eerst te zien krijgen natuurlijk. De zang van de Fitis is heel onderscheiden van deze van de Tjiftjaf. Dus op het gehoor zijn deze vogels eenvoudig te onderscheiden.

Net voor we de vloeiweide intrekken, horen we een Tuinfluiter (Sylvia borin). De zang lijkt erg op deze van de Zwartkop. De melodie klinkt iets minder luid en lijkt meer brabbelend. Het vraagt veel ervaring om deze beide vogels uit elkaar te houden. 

Een Sperwer (Accipiter nisus) vliegt over de vloeiweide. Roofvogels herkennen we in de vlucht aan het silhouet. De Sperwer heeft brede afgeronde vleugels. De lange staart heeft een duidelijke bandering. De aanwezigheid van banden in de staart stelt ons in staat om het verschil te maken tussen een overvliegende Buizerd of Wespendief. Zien we geen banden in de staart dan zien we een overvliegende Buizerd. Bij een Wespendief tekenen zich duidelijk banden af in de staart.

Aan de ingang van de vloeiweide horen we een Grasmus (Sylvia communis) in een meidoorn. De Grasmus heeft een witte keel en een heel mooie baltsvlucht. Door het krassende geluid dat dit kleine vogeltje produceert wordt hij soms ‘krasmus’ genoemd.

In de weide achter de Kleine Merrebeek zien we een Kievit koppel (Vanellus vanellus). Met stuntvluchten probeert het mannetje volop het vrouwtje te imponeren.

Toch even opmerken dat we in de vloeiweide tot onze grote vreugde Echte koekoeksbloem zien evenals de nog massaal aanwezige Pinksterbloem. De excursie spitst zich echter toe op vogels, dus spoort Michel ons aan om in de lucht te speuren.

Aan de zijkant van de weide wijst Michel de torenvalken nestkast aan. Deze lijkt dit jaar niet in gebruik genomen. Eddy wijst erop dat de Torenvalk die kast niet perse nodig heeft. De vogel vindt natuurlijke nestplaatsen in de omgeving. De kast worden eerder als studieobject ingezet. De jongen kunnen geringd worden en de trek kan bestudeerd worden.

 

Denkend aan de habitat-binding, zou de rand van de vloeiweide met de waterpartij en afsluitingspaaltjes een ideale plaats zijn om Roodborsttapuit aan te treffen. Dus hier moeten we op letten tijdens volgende excursies. We merken wel een stijging van het aantal reptielen en vogels sinds de oude vloeiweide rand beplant werd met lage inheemse struiken. Het creëren van kleine biotopen (landschapselementen) lokt nieuwe vogels en kleine zoogdieren.

De volledig grijze duif die overvliegt is een Holenduif (Columba oenas). Deze duif heeft geen witte vlek zoals de Houtduif wel heeft. Eddy geeft enkele mnemotechnische middeltjes om zang van duiven te onderscheiden. Een Turkse tortel : ‘lowieke’; een Zomertortel : ‘krrr krrr’; een houtduif : ‘doe de deur toe, moemoe’.

De Boerezwaluw (Hirundo rustica) in vlucht herkennen we door de spitse vleugels en de gevorkte staart.

We krijgen een eerste hoogtepunt in de wandeling als iemand de Torenvalk (Falco tunninculus) opmerkt die boven in een boomtop rustig onze groep gade slaat. De vogel is duidelijk in rust. We kunnen hem uitgebreid bewonderen. Het is een mannetje met mooie blauwe kop. De Torenvalk kan ultraviolet kleur zien. Hij ziet zo het urinespoor van een muis. Op deze manier kan hij zijn prooi opsporen en boven de prooi bidden om dan plots toe te slaan.

Terwijl enkele Krakeenden (Anas strepera) over vliegen wijst Michel ons op de natte weide naast de hoger gelegen droge weide en het biotoop verschil dat verschillende vlindersoorten aantrekt. De hoger gelegen hooiweide wordt gemaaid door een biologische landbouwer. Om uit te zoeken wanneer dit maaien het best gebeurd is opvolging nodig. Mogelijk moet  gefaseerd maaien overwogen worden. Het gebied met enkele struwelen is eveneens een goede habitat voor de Ransuil. De uil vangt zijn prooi op het geluid. Hij vliegt geruisloos en heeft een ingebouw radarsysteem waarmee hij feilloos juiste afstanden kan inschatten.

In de verte hoort Dirk  een Nachtegaal (Luscinia Megarhynchos) zingen. Deze vogel heeft wilgenstruweel met een ondergroei van netels nodig. De zang is melodieus en zeer gevarieerd. Tot eind mei kan men de zang van de Nachtegaal horen. Vanaf september vertrekt de vogel opnieuw naar het zuiden. Hij overwintert in Afrika.

 
 

Aan de Kempense stal horen we een Groene specht (Picus viridis) lachen. Deze specht houdt zich vooral aan de bosrand of in open plekken in het bos op. In tegenstelling met andere spechten eet deze vogel vooral mieren en insectenlarven. In het gras weet hij perfect de mierennesten te vinden. Hij komt minder op bomen voor en roffelt nauwelijks.

De Kempense stal werd gemaakt voor de Galloway runderen die ons gebied begrazen. De Galloways zijn zelfredzame koeien die zich weinig van de weersomstandigheden aantrekken. De dracht van de Galloway duurt 9 maanden en het kalveren gebeurt vrij gemakkelijk zonder menselijke hulp. Dit in tegenstelling met landbouwkoeien die niet meer zelfstandig kunnen kalveren.

We steken de Schawijkstraat over en trekken het Zevenbergenbos in. Dit is een totaal andere biotoop. Het bladerdek is een ideale dekmantel voor de vogels. Nu zijn we helemaal op geluid aangewezen.

 
 

We horen overvloedig de Koolmees (Parus major), een holenbroeder die ook veelvuldig in onze tuinen waar te nemen is. Een geheugensteuntje voor één van de geluiden van de Koolmees is ‘doe dit doe dat’. De vogel wordt in de volksmond ook het pompierke genoemd.

De Boomklever (Sitta europaea) is een typische bosvogel die ook al eens in de winter aan voedertafels gespot kan worden. Deze kleurrijke vogel kruipt langs de stam van bomen op zoek naar insecten. De Boomklever kruipt zowel van beneden naar boven als van boven naar beneden. Hij maakt geen gebruik van zijn staart als steun tegen de stam. Met zijn lange spitse snavel eet hij zowel insecten als vruchten, noten en bessen.

De Boomkruiper (Certhia brachydactyla), een bruin vogeltje, kruipt spiraalvormig van onder naar boven langs de stam. Boven aangekomen vliegt hij naar een volgende boom om weer onderaan te beginnen. De Boomkruiper gebruikt zijn staart wel als steun bij kruipen. Zijn snavel is iets naar beneden gebogen om onder de bast naar insecten te zoeken.

We horen vrijwel onmiddellijk de roep van de Boomklever eens we in het bos zijn. Het luide ‘wiet, wiet’ maakt dat hij wel eens de wiet-verkoper van het bos genoemd wordt. De Boomklever gebruikt oude nesten van Spechten. De nesttoegang wordt kunstig vermetseld zodat Kauwen of andere vogels er niet meer in kunnen. De Boomkruiper nesteld onder een loshangend stuk schors.

Terwijl we de Boomklever proberen te spotten horen we (sommigen zien hem ook) een Pimpelmees (Parus caeruleus). Dit meesje is kleiner dan de Koolmees en geen concurrentie van deze laatste. De Pimpelmees heeft een zilveren lachje, ‘tsi-tsi-tsi-tirr’. Het is een echte akrobaat. Hij hangt vaak ondersteboven aan kleine twijgjes te bengelen op zoek naar kleine insecten.

Bij vogels is er vaak een duidelijk onderscheid tussen mannetjes en vrouwkes wat betreft het uitzicht. De mannetjes zijn vaak gekleurd met opvallende kenmerken. Soms dienen deze kleuren om vrouwtjes te lokken. Vrouwtjes zijn soberder, minder opvallend. Hierdoor worden ze minder vlug opgemerkt bij het broeden. Bij sommige vogels broedt het mannetje eveneens en zal het dan ook minder opvallende kenmerken hebben. Bij andere soorten is dan weer het vrouwtje mooier. Zoals bij de Grauwe franjepoot (Phalaropus lobatus) uit de familie van de strandlopers en snippen. Bij de Grauwe franjepoot is het is dan ook het mannetje dat de taak van het broeden en het grootbrengen van de jongen op zich neemt. Bij holenbroeders merken we weinig onderscheid tussen mannetjes en vrouwtjes. Het nest is verscholen dus valt het broedende vogeltje zowiezo niet op. Koolmezen en Pimpelmezen zijn holenbroeders. Boomklevers ook. Hier is weinig onderscheid tussen de sexen.

Eddy ziet een Boomvalk (Falco subbuteo) tussen de kruinen door laveren. De vogel is te herkennen aan de sikkelvormige vleugels en de rode broek. De vogel is echter snel verdwenen en wordt niet meer terug gezien.

Een Sperwer (Accipiter nisus) wordt tussen de kruinen opgemerkt. Het is een mannetje dat merkelijk kleiner is dan het vrouwtje.

Een volgend bekend geluid is dat van de Vink (Fringilla coelebs). Zeer herkenbaar zingt hij het ‘suskewiet’. Tevens herkenbaar is zijn regenroep ‘kriet-kriet’. Er wordt opgemerkt dat de vlaamse vink duidelijk te onderscheiden is van de waalse vink. Deze laatste zwakt aan het eind van de zang af.

We horen ook overvloedig het rollende geluid van de Merel (Turdus merula). De Merel is een vrij algemeen voorkomende vogel in onze tuinen, maar eigenlijk een typische bosvogel. Hij behoort tot de lijster familie en heeft een melancholishe, weemoedige zang met veel variaties.

Aan de taxus in het speelbos maken Kauwen (Corvus monedula) veel tumult. Ofwel hebben ze een predator opgemerkt, ofwel is het omdat wij dichter bij komen.

 
 

We horen eveneens een Grote bonte specht (Dendrocopos major) roffelen. De Grote bonte specht is veel voorkomend in het bos. De vogel heeft een forse snavel en stevige staart. In de gracht zwemt een Wilde eend (Anas platyrhynchos) met kroost. Een 10-tal jonge eendjes volgen hun mama in elke beweging. Een vertederend beeld. Het mannetje van de Wilde eend is kleurrijk met opvallende groene kop terwijl het vrouwtje bruin gestreept is.

In de wandeldreef horen we de hoge schelle tonen van de Roodborst (Erithacus rubecula). De zang kent minder variatie. De Roodborst is een jaarvogel. Er is wel trek, maar het ganse jaar door treffen we ze aan in Vlaanderen. Let eens op de Roodborst, de rode kleur rijkt tot over de snavel. Niet enkel een rode borst dus!

Aan de Beukendreef die naar het MPI leidt horen we de alarm roep van de Gaai (Garrulus glandarius). We zien een Eekhoorn van tak naar tak springen.

Aan de Galloway en hooiweide achter het kasteel gekomen bevinden we ons weer in een andere biotoop. Op de Knotwilgen langs de hooiweide zit een Blauwe reiger (Ardea cinerea). Het is een juveniel exemplaar. De Blauwe reiger nestelt in bomen. Aan de poel zit een adult exemplaar. Wanneer Marc de weide intrekt om het Galloway kalf op de foto te zetten, vliegt de reiger kwaad op. De reiger vliegt met ingetrokken hals. Dit in tegenstelling met de ooievaar. Wat verderop wordt de Reiger zelfs verjaagd door een Kraai.

Over de weide vliegt een Buizerd (Buteo buteo). Het is eveneens een juveniel exemplaar. Het ontbreken van banden in de staart is een kenmerk dat ons bij determinatie van Buizerd brengt.

 
 

John is terecht zeer fier op de overvloedig bloeiende steenbreek in de hooiweide. We trekken dan ook even de weide in om dit van dichterbij te bekijken. Marc vond vorig jaar eveneens een bosorchis in de weide. Allemaal tekenen van een goed beheer. We horen een Grote bonte specht.

Op de vijver zien we twee zonnende Roodwangschildpadden. Vorig jaar hadden we al enkele exemplaren kunnen afvangen. Blijkbaar zijn er nog steeds enkele of zijn er opnieuw exemplaren uitgezet. Dit is jammer want deze exoten vormen een bedreiging voor onze flora en fauna. Zeker voor de Dodaars (Tachybaptus ruficollis) die de kasteelvijver uitkoos als broedplaats zijn de schildpadden een bedreiging. De jongen zullen gemakkelijk ten prooi vallen. We zien de Dodaars te werk op de vijver. Hij duikt onder op zoek naar prooi, kleine visjes, watertor, water insectjes... Het is een grappig zicht. De vogel plopt als een kurk terug boven water. Het geluid van de Dodaars doet denken aan een hinnikend paard.

Verderop in de vijver zit een koppel Canadese ganzen.

Aan de kasteelpoort langs de grachtmuur nestelt de Grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea). Vandaag zien we hem echter niet.

 
 

We gaan naar het bovenhof achter  het kasteel, waar we een goed zicht hebben op het Dodaarsnest aan de overkant van de vijver. De verbazing van de vogelkenners is voelbaar. De kasteelvijver is niet direct de plaats waar de Dodaars verwacht werd. Met de verrekijker kunnen we een 3-tal kuikens op het nest onderscheiden. Dit is zeker wel de topper van de excursie. We vergeten bijna de Waterhoen (Gallinula chloropus)  op nest aan onze kant van de kasteelvijver. Deze laatste is opgelucht als we stilletjes het bovenhof verlaten. We willen zeker geen verstoring van de broedende vogels.

Terug aan de ingang van het kasteel ziet Dirk een Havik (Accipiter gentilis) overvliegen. Het is een mannetje.

In de sparrendreef horen we het iele gezang van de Goudhaantjes. De Goudhaan (Regulus regulus) is een zeer kleine vogel, 9cm bij een gewicht van 4 tot 7 gram, die graag in sparrenbossen vertoeft. In Zevenbergenbos treffen we de vogel dan ook aan in de sparrendreef. De goede speurders onder ons kunnen het diertje ook zien huppen tussen de hoge takken. Het is een fraai groenig vogeltje met gele vlek op het hoofd.

In het gemengd bos horen we opnieuw een Roodborst. We zien ook het hol van een Zwarte specht (Dryocopus martius). We herkennen het aan de ovale opening van de nestholte.

Aan het boshuisje treffen we verschillend restanten van prooien aan. Het zijn Houtduiven die slachtoffer werden van een Havik (Accipiter gentilis). De pluimen zijn uitgetrokken, je ziet de snavelbeet in de pennen. Een vos zal de pluimen afbreken i.p.v uit te trekken. Een Havik gaat zijn prooi ter plaatse plukken. Een Sperwer (Accipiter nisus) verplaatst zich tijdens het plukken. De pluimen zullen meer verspreid liggen. We treffen zeker 5 plukplaatsen dicht bij elkaar aan. Dit geeft aan dat het Haviksnest waarschijnlijk in de buurt is. Iets verder in de dreef weten we dat vorige jaren een nest in gebruik was. Nu horen we echter geen alarm roep en we merken ook geen beweging. We weten dus niet of het nest nog in gebruik is. Ook op het Buizerd nest dat zich vlakbij het Haviksnest bevindt is er geen beweging.  We weten niet of beide nesten nog in gebruik zijn.

 
 

We horen een Staartmees (Aegithalos caudatus) roepen. In de winter zien we staartmezen in groepen in onze tuinen op de voeder plaatsen. Ze blijven in groep om tijdens de koude winternachten dicht op elkaar warmte te creeren en aldus te overleven. Eddy weet dat sommige gidsen vogels lokken door het afspelen van opname van de zang. De vogels reageren erop en proberen de indringer te verjagen. Aanwezige wandelaars kunnen op die manier de vogels dan zien. Deze methode is echter niet aan te raden. Je verstoort de dieren en maakt ze nodeloos geagiteerd. Zeker wanneer de vogels in volle broedperiode zitten is dit onverantwoord.

Dichter bij de vijver gekomen horen we een Zanglijster (Turdus philomelos). Kenmerkend in de zang van de Zanglijster zijn de herhalingen. Zanglijster was vroeger zeer algemeen voorkomend. De laatste jaren gaat het bestand echter achteruit. De vogel zit typisch hoog in een boom te zingen.

Een volgende verrassing is het aantreffen van Daslook aan de vijver. Het is de eerste waarneming van Daslook voor de meeste van de Zevenbergenbosgidsen. Verder valt op dat er weinig Waterviolier op de vlaspoel is dit jaar. Ook Gele waterkers is opvallend minder aanwezig. De vlaspoel wordt gevoed door kwelwater uit de bosbodem die enkele meters hoger ligt dan de poel. Er is wel vervuiling van de paardenmest van de aanliggende weide. We zien een overvloed aan dikkopjes in de poel.

 
  Onze wandeling zit erop. Het was een zeer leerzame tocht. Eddy is een rustige gids met duidelijke aanwijzingen. Zeker is wel dat we nog zeer lang zullen moeten oefenen en luisteren om de vogelgeluiden te herkennen. Met een simpel 'geire gedaan’ wimpelt Eddy onze bedanking af. En de Zanglijster bevestigd 3 maal dat het goed was en zwaait ons luidruchtig huiswaarts toe.
 
23/3/2014 Voorbereiding van de gidsbeurten op de opennatuurdag
door
Willy De Meester
Natuurgids
Natuurgids Michel Levens verwelkomde 17 natuurliefhebbers.

Bedoeling van deze excursie is niet alleen een mooie wandeling te maken maar ook om het gebied te monitoren en te observeren en dan vooral de voorjaarsbloei en de progressie hiervan. Zoals vorige keer krijgen we een opdracht : wat is de top 6 ( in kwantiteit ) van de voorjaarsbloeiers ? Michel heeft gezorgd voor een flora specialiste, Sofie Hermans. Om het overzichtelijk te houden geef ik telkens de locatie aan waar we iets geobserveerd hebben of waar iets te vertellen was.
 
 

+++ de schuur

  • Madeliefje ( Bellis  perennis )
  • Pinksterbloem (Cardamine pratensis).
We kunnen een indeling maken in voorjaars, zomer, herfst en winterbloeiers. Daarnaast zijn er ook jaarbloeiers bv het madeliefje en de paardenbloem.

+++ vlaspoel

  • Het is een natuurlijke poel die vroeger gebruikt werd om vlas te roten en die gevuld wordt met kwelwater. Als indicator van dit zuivere water kunnen we Waterviolier (Hottonia palusrtis) ontdekken die later in mei, juni zal bloeien. Spijtig dat vlak hiernaast een berg paardenmest voor vervuiling zorgt. Het bewijs hiervan is de aanwezigheid van Gele waterkers (Rorippa amphibia).
  • Smalle weegbree (Plantago lanceolata),
  • Fluitekruid (Anthriscus sylvestris)
  • Kleefkruid (Gallium aparine)
  • Grote brandnetel (Urtica dioica)

+++ schuurpad

  • Bosanemoon (Anemone sylvestris). Komt voor in oude loofbossen met wat kalk in de grond. Sommige hebben wat rozige kroonbladjes. Dit komt door de scheikundige stof anthocyaan die het bloempje beschermt tegen de UV bestraling. Hetzelfde bij rode kool en rode beuk.
  • Witte klaverzuring (Oxalis acetosella ). In België vindt men ook nog Stijve klaverzuring (Oxalis fontana) en Gehoornde klaverzuring ( Oxalis corniculata). Het onderscheid is moeilijk te maken.
    Heeft maar 10% van het bestaande licht nodig.
  • veel Speenkruid (Ranunculus ficaria), de kroonblaadjes zijn nog toe om stamper en meeldraden te beschermen. Bij zon spreidt de bloem zich wijd open. Behoort, zoals ook de boterbloem, tot de ranonkelfamilie.
  • Paardenbloem (Taraxacum officinale).
    Door DNA onderzoek heeft men wel 125 verschillende soorten kunnen onderscheiden
  • Bosveldkers (Cardamine fluxuosa)
  • kiemplant van de Esdoorn, met 2 smalle kiemblaadjes, kortelings zal hierop het eerste echte bladpaar op verschijnen.

+++ boshuisje

  • Witte klaverzuring in grote aantallen

+++ middenpad

  • Kleefkruid (Galium aparine)
  • Robertskruid (Geranium robertianum), ooievaarsbekfamilie
  • Sterrenmos (Mnium hornum)
  • Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), met of zonder vlekken
    Door DNA onderzoek weten we dat het dezelfde soort is
  • Slanke sleutelbloem (Primula elatior)
    De lichtgele bloemen hangen naar 1 zijde.
    Omdat kruisbestuiving een optimale vruchtvorming geeft gebeurt de bestuiving door heterostylie. Doordat de bloemen stampers hebben van verschillende lengte en de meeldraden verschillend geplaatst zijn moeten de insecten wel verschillende bloemen bezoeken om de bevruchting te laten gebeuren.
  • hele “tapijten” van Bosanemonen
  • 4 buizerds (Buteo buteo) maken rondjes hoog boven ons
  • Bleeksporig bosviooltje (Viola riviana), geen geur
  • massaal veel kiemplantjes, vooral Esdoorn (Acer pseudoplatanus)
  • Platte tondelzwam ( Ganoderma lipsiense), begint de boom binnenin aan te tasten en veroorzaakt witrot. We onderscheiden witrot en bruinrot. Wanneer de schimmel de cellulose in het hout afbreekt ontstaat er bruinrot. Het hout is dan donkerder van kleur en heeft een kubusachtig patroon. Wanneer schimmels naast de cellulose ook de lignine afbreekt ontstaat er witrot en krijgt het hout een vezelachtige structuur.
  • in de Sterregracht veel kikkerdril

+++ grot

  • boomklever ( Sitta europaea)
    Dit kleurig vogeltje kruipt op en neer de stam terwijl een boomkruiper (Certhia brachydactyla) alleen naar boven kan kruipen
  • een paar eekhoorntjes ( Sciurus vulgaris) amuseren zich in de toppen van de bomen
  • Vogelmelk ( Ornithogalum umbellatum), doordat men hier geregeld maait zal deze vogelmelk hier niet tot bloei komen. Behoort sinds kort(resultaat van recent DNA onderzoek) tot de aspergefamilie. Staat op de rode lijst van beschermde planten. De bladeren hebben een typische witte streep in het midden.
  • in de grachtwand van het kasteel is een nest van de grote gele kwikstaart ( Motacilla cinerea)

+++ bosdreef

  • Ereprijs.  Na  opzoekwerk  blijkt het Klimopereprijs(Veronica hederifolia) te zijn.
  • Grote klis ( Arctium lappa)
  • Maarts viooltje ( Viola odorata), geurt wel ( in tegenstelling met het Bleeksporig bosviooltje) Belangrijkste kenmerk is dat de bloemstengel geen blaadjes heeft.
  • Bereklauw ( Heracleum ). De Gewone of de Reuzenbereklauw…, nog moeilijk uit te maken

+++ hooiweide

  • Kruipende boterbloem ( Ranunculus repens)
  • Scherpe boterbloem (Ranunculus acris)
    Verschil tussen Scherpe en Kruipende boterbloem : bij Kruipende boterbloem is het middelste deelblaadje van de onderste bladeren steeds een stuk langer gesteeld dan de 2 andere deelbladeren
  • Groot hoefblad ( Petasites hybridus), eerst verschijnt de bloem en dan het blad.
  • Knolsteenbreek (Saxifraga granulata), aan de voet van de plant zitten net boven of onder de grond heel kleine knobbeltjes, vandaar de soortaanduiding. Door deze knobbeltjes plant de Knolsteenbreek zich vegetatief voort.  Vrij zeldzaam in Vlaanderen.
  • Sofie heeft iets speciaals gevonden op mest  van de galloways  in de weide: Mestborstelbekertje (Cheilymenia stercorea). Een klein zwammetje, een oranje schijfje met zwarte haartjes aan de rand.
  • Witte dovenetel ( Lamium album)
  • Winterzuring ( Rumex hydrolapathum)

+++ gallowayweide

  • overvliegende blauwe reiger( Ardea cinerea)
  • Watermunt (Mentha aquatica)
  • aan de rand van de weide, opvallend veel Brandnetel (Urtica dioica )waar we vroeger veel Look zonder look(Alliara petiolata)vonden. Door de mest van de galloways, die hier de schaduw opzoeken, komt er meer stikstof in de bodem.
  • Waterzuring
  • veel dikkopjes
  • deze weide is lang een maisveld geweest en altijd zwaar bemest geweest, daardoor veel minder variatie

+++ bosdreef

  • Fluitekruid in bloei
  • Muskuskruid (Adoxa moschatellina)
  • Paarse dovenetel (Lamium purpureum)
  • Hondsdraf (Glechoma hederacea), zeer korte onderlip
  • Sleedoorn( Prunus spinosa), eerst bloem dan blad.
  • Gele waterkers (Rorippa amphibia)
  • aan het zijpadje : 
    • Aalbes (Ribes rubrum)
    • Heelkruid (Sanicula europaea), zeer zeldzaam
    • Eenbes (Paris quadrifolia), zeldzaam én giftig
    • Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus), enkel op deze plaats in Zevenbergenbos

+++ drogenhofpad

  • Rhododendron, de knoppen zijn aangestast door een schimmel, de azaleaknopvreter (Pycnostysanus azaleae)

+++ speelbos

  • Adelaarsvaren( Pteridium aquilinum)

+++ mastendreef

  • mazerknop op grove den. Soort gezwel op stam dat kan veroorzaakt worden door bv een insect dat dan uitgroeit tot een “kankergezwel”
  • Weymouthden, een conifeer die, vanuit Noord-Amerika, rond 1700 door Lord Weymouth werd ingevoerd. Aangetast door roestziekte en nu al jaren erg geliefd door spechten.

+++middenpad

  • kiemplantje van Rode beuk, al sporen te zien van anthocyaan
  • Zevenblad (Aegopodium podagraria). De bladeren zijn onder aan de stengel zeventallig. Hoger aan de stengel zijn de bladeren vaak vijftallig.

+++vlaspoel

  • rozet van Kale jonker (Cirsium palustre)
  • Look-zonder-look (Alliaria petiolata)
  • Dagkoekoeksbloem(Silene dioica)
  • ook hier Muskuskruid(Adoxa moschatellina)

Vaststelling en momentconclusie, de top 6 van de meest voorkomende voorjaarsbloeiers in het Zevenbergenbos op 26 maart 2014

  1. Bosanemoon
  2. Speenkruid
  3. Aronskelk
  4. Slanke sleutelbloem
  5. Klaverzuring
  6. Groot hoefblad
Terug
19/1/2014 Verslag veldexcursie 19 januari
door
Peter Van Dessel
Natuurgids

Enkele losse opmerkingen voor de start:

  • het opmerken van een vos (Vulpes vulpes) in het verlaten maïsveld langsheen de Driepikkelhoeveweg door Oorts Robert op 19 januari en eveneens een vos aan het boshuisje door Peter Vandun op zondag 12 januari jl.
  • het opmerken van de middelste bonte specht (Dendrocarpus medius) door meerdere personen  in de Bovenhof. Is sinds 2000 aanwezig als broedpaar in ons land, voorheen maakte meerdere natuurliefhebber de verplaatsing naar Duitsland(Hambacherwald) om hem te spotten. 

Enkele voorafgaandelijke weetjes:

  • de volgende veldexcursie is 23 maart met o.a.  een floraspecialist als gastgids.
  • na nader onderzoek is de stof dormine een oude benaming, welke verantwoordelijk is voor het afscheuren van de bladsteel van de bladstengel, maar wel de stof ABSCISINE(= latijn voor afscheuren).
  • de verklaring welke gegeven werd voor het verschil in grootte tussen de mannetjes en de vrouwtjes roofvogels, blijft een hypothese en geen sluitende geen wetenschappelijke verklaring.
  • op 15 januari heeft Michel Levens een observatieartikel doorgemaild van het sneeuwklokje.
 
 

Michel dankt de nieuwe gezichten die gaan meewandelen met de veldexcursie en weg zijn we….

Het eerste aandachtspunt is het boren van een aantal gaten met verschillende diameter (4; 8 en 10 mm) in 3 weidepalen van de weide langsheen de Schawijkstraat (ter hoogte van de Drogenhofschuur). De diepte van de boorgang is tussen de 8 en tot 12 cm daar waar mogelijk. De  gaten zijn ZZO georiënteerd en beschut tegen regen en wind.  De bedoeling is het aantrekken van solitaire bijen (in tegenstelling tot de honingbijen die een sociale levenswijze kennen) die verantwoordelijk geacht worden voor het bestuiven van 70 % van de bloeiende planten en 30 % van de landbouwgewassen in Vlaanderen. Mogelijk kunnen ook andere insecten deze gaatjes betrekken, interessant om deze boringen op regelmatige basis te observeren.

Een interessante link is: www.wildebijen.nl

Het eerste luik van deze veldexcursie is een theoretisch-educatief luik, namelijk het leren determineren van bepaalde planten en proberen een verklaring te vinden voor bepaalde verschijnselen.

We stoppen aan het houten bruggetje over de Hogenaardseloop. Michel wijst ons op het metaalblauw vliesje bovenop het wateroppervlak. Wat is verantwoordelijk voor dit verschijnsel en wat is het?  Iemand wijst op de aanwezigheid van ijzerbacteriën voor dit verschijnsel. Dit is een veel gehoorde verklaring voor het fenomeen, echter niet de juiste verklaring.

Eerst en vooral duidt de aanwezigheid van dit vliesje erop dat het water rijk is aan opgelost ijzer (tweewaardig ijzer). Aan het wateroppervlak zorgt de overvloed van luchtzuurstof voor de omzetting van het tweewaardig ijzer naar driewaardig ijzerhydroxide. Sneller dan deze oxidatie is de reactie van het opgelost ijzer met koolzuur in de lucht, er wordt ijzercarbonaat gevormd. Anderzijds zal het tweewaardige ijzer reageren met de fosfaten in het water en ijzerfosfaat vormen. Er is dus aan het wateroppervlak een spontane afzetting van ijzercarbonaat en ijzerfosfaat. Beide producten zijn zeer onoplosbaar in water en worden afgezet. De reactie die dus vooral plaats vindt aan het wateroppervlak laat, gedragen door de oppervlaktespanning, de reactieproducten achter als een film op het water. Diffractie van het licht in deze afzetlaag veroorzaakt de regenboogkleuren.
Dieper in het water kan de ijzerbacterie, de Gallionella ferroginosis, het tweewaardige ijzer met behulp van opgeloste waterzuurstof omzetten naar driewaardig ijzerhydroxide. De energie die vrijkomt bij dit oxidatie proces wordt door de bacterie gebruikt als energiebron voor de synthese van hun celmateriaal. De bruine neerslag onderaan in de beek is het restproduct van de reactie veroorzaakt door de bacteriën. In oorsprong is het dus een gelijkaardige scheikundige reactie die verantwoordelijk is voor de filmlaag op het water en de roestige neerslag op de bodem. Voor de filmlaag zijn de bacteriën echter niet verantwoordelijk. De reactie met de luchtzuurstof is veel sneller en de bacterie heeft hier geen kans op het vinden van tweewaardig ijzer.

 
 

Doorheen de tijd is er alzo op verschillende plaatsen een ijzeroerlaag ontstaan in de bodem. (Bron: Etienne Mahieu – 2008 - /www.amenti.be/docs/ijzerbacterien.pdf)

   
 

We gaan verder en komen aan het weggetje dat leidt naar de nieuwe veestal.

Langs deze weg staan verschillende wilgen die beheerd worden als knotwilg.

Over welke wilgensoort gaat het hier?

We hebben het ANWB – bomengids van Europa. Hier geraken we niet ver mee (tip: gebruik geen flora prentjesboeken om te determineren, maar een determinatie sleutel). Michel gebruikt een determinatiesleutel uit de cursus knoppen en twijgen (bron: Cursus Natuurpunt educatie – 2006 - auteur Hans Vermeulen).

We gebruiken de sleutel en volgen zijn verschillende stappen:

  • de knoppen staan willekeurig aan de verschillende kanten op de twijg, staan verspreid.
  • de knopschubben die bescherming bieden bestaat slechts uit één knopschub
  • er is geen verdikking (richel) onder de bladknoop
  • de knoppen zijn kaal ( niet behaard)
  • de twijgen zijn glanzend
  • de knoppen minstens aan lichtzijde oranje tot rood (zijn bruinachtig-rood)
  • de knoppen zijn rood, smal lang toegespitst è Bittere wilg (Salix purpurea)
    of
  • de knoppen oranje eivormig (ovaal maar onder het midden het breedst) è Boswilg (Salix caprea)

De vorm van de knoppen wordt een discussiepunt (omdat de kleur en juiste vorm niet volledig overeenstemt) dit maakt de determinatie voor ons niet sluitend genoeg.
We besluiten om te wachten tot we o.a. bladkenmerken hebben in het verdere seizoensverloop. De wilgenrij hier langs de beek wordt voorlopig gedetermineerd als een Salix (geslacht wilg), maar soort voorlopig nog niet gekend. Attentiepunt blijft dat er veel hybridevormen van wilgensoorten bestaan.

We vervolgen onze weg langs de schuur door het zwarte elzenbosje rond de vlaspoel om het bos terug in te schieten.

Volgende determinatie betreft de varens die we hier in dit stuk humusrijke loofbos (Ruwe berk en Iep) zien: met welke soort(en) hebben we hier te maken?
We beginnen met de vorm van de sporendoosjes of sporangiën die we onderaan aantreffen (een beetje zoeken vermits ze niet overal meer aanwezig zijn).

  • Als het niervormige sporendoosjes betreft hebben we te maken met varens uit de niervarenfamilie. - geval A
    -> Met meest voorkomende soorten zoals o.a.
    • het Mannetjesvaren (Dryopteris filix-mas)
    • Brede stekelvaren (Dryopteris dilatata)
    • Smalle stekelvaren (Dryopteris carthusiana)
  • Als de sporendoosjes kommavormig zijn hebben we te maken met de wijfjesvarenfamilie. - geval B
    -> met o.a. het veel voorkomend wijfjesvaren (Athyrium filix-femina)

Voetnoot: een ander kenmerk voor het wijfjesvarenfamilie is dat het blad in zijn kleinste segment 3 x geveerd is (dus 2 x geveerd in het zijsegment). Soorten uit de niervarenfamilie meestal slechts 2 x geveerd.

Bij nader toezien hebben we sporen in een niervorm, we zitten dus in geval A. Bij het mannetjesvaren zijn de toppen van de bladsegmenten afgerond. Bij het stekelvaren hebben we een stekeltje op de top (zichtbaar met het blote oog).

Een volgend onderscheid is de plaats waar het varenblad het breedste is.

  • Is dit net onder het midden van het blad dan hebben we te doen met het mannetjesvaren.
  • Is de grootste breedte van de bladschijf onderaan de voet dan hebben we het brede stekelvaren (driehoekvormig blad, let wel meestal is het onderste geveerde blad van zijsegment bij deze soort is eerder smaller, neem dus als maatstaaf het eerst volgend blad erboven welk veel breder is).
Een volgend eliminatiekenmerk is de kleur van de schubben vanonder op de bladsteel.
  • Zijn deze schubben geheel bleekbruin
    -> mannetjesvaren en smalle stekelvaren.
  • Zijn deze schubben met een zwartbruine middenstrook
    ->Brede stekelvaren (een attentiepunt: let op bij nat weer, want de bleekbruine schub is dan bijna zwart doordat het nat is).

Na het bekijken van verschillende varens en hun kenmerken kunnen we twee aanwezige soorten vaststellen en tot op soortnaam determineren:
het Mannetjesvaren en het Brede stekelvaren.

Hop en we zijn weer weg.

Tot we een holletje opzij van de weg tegenkomen, welk dier zou dit hier gemaakt hebben en tot welk nut? Voor een vos is het te klein, betreft het een marterachtige…? Een gewone sporengids met vage foto’s kan hier geen soelaas bieden, het heeft ook veel geregend de laatste weken en de sporen zijn niet meer duidelijk. We zullen er dus niet uit geraken, misschien ons zomerkamp hier opslaan of een wildcamera plaatsen?

 
 

Het tweede luik van deze veldexcursie is meer freewheelen, we geven onze ogen de kost en we benoemen de dingen die we tegenkomen.

Marc wijst ons op een lege cocon van een mot, een sigaarzakdrager genaamd.
We komen een gevelde rode beuk tegen in het bleekbos langsheen de binnenkant van het oude bos tegen de ringgracht aan. Een slachtoffer van de storm in december… De werkploeg is al ijverig bezig geweest met deze oude reus (inkerving  in de stam met 1882 en Lord) te overmeesteren. Een vraag vanuit de groep is om te overwegen of het volledig in stukken zagen en wegslepen van deze oude reus geen blijvende schade gaat teweegbrengen aan de prille, rijke flora en opslag die hier aanwezig is.

We komen de twee aanwezige toppers tegen in het bos: de zwarte es (Fraxinus excelsior) met de gitzwarte kenmerkende knoppen (bokkenpootjes) en de gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus) met zijn lichtgroene knoppen die tegenoverstaand staan.
Het oude parkbos behoort volgens de classificatie tot het eiken-essenbostype.
Beide soorten zijn hier in een serieuze concurrentie, de esdoorn heeft zijn sterke verjongingskracht en jeugdgroei mee, de es heeft de ideale standplaats met de aanwezige kalk in de bodem.
Wie gaat het winnen op termijn? Mogelijk moeten wij vanuit beheers overweging een handje helpen of blijven we er liever tussenuit?

 
 

Als we aan aantal linden tegenkomen krijgen we de opdracht van Michel om uit te zoeken tegen de volgende veldexcursie welke de specifieke kenmerken zijn van de kleinbladige of winterlinde, de grootbladige of zomerlinde en de hybridepot welke (ten onrechte) veralgemeent wordt tot de Hollandse linde. Werk dus tegen 23 maart!

We passeren de struik (kleine boom) van vrouw Holle, de vlier (Sambucus nigra), herkenbaar aan de ananasachtige knoppen en het gestreepte merg. Terug aan de grot (ingang van het natuurreservaat) merken we reeds de eerste voorjaarsbloeiers ingevolge de zachte wintertemperaturen: Zevenblad ( Aegopodium podagraria   ), Hondsdraf ( Glechoma hederacea ), Fluitekruid (Anthriscus sylvestris  ), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum), Vogelmelk (Ornithogalum).
We gaan langs de ingang van het kasteel naar de Bovenhof van de zusters.

Terloops wordt er opgemerkt dat in de vestingmuur van de gracht de gele kwikstaart (Motacilla cinerea), reeds meerdere malen waargenomen in de afgelopen jaren.

 
 

Aan de ingang van de bovenhof onder de majestueuze bomen treffen we het sneeuwklokje ( Galanthus nivalis) overvloedig aan.

Michel heeft hier reeds een gans artikel over geschreven en verspreid.
Interessant om te onthouden is het feit dat het sneeuwklokje  een stinzenplant is  (afkomstig  uit Zuid-of Zuidoost Europa en zich bij ons aangepast)  Werd reeds door  Dodoens  vermeld in 1554.
Het sneeuwklokje gebruikt ook alle vormen van vermenigvuldiging:

  • Vegetatief of ongeslachtelijk door de bijbolletjes.
  • Generatief door de zelfbestuiving, kruisbestuiving door insecten en de wind.
 
 

We vervolgen onze weg door de bovenhof.

In de bocht merken we in de grote tamme kastanje een houten vogelkast om een steenuil te lokken, tot op heden niet succesvol. De wilgen langsheen de gracht zijn van dezelfde soort als diegene die we bij de aanvang aan de Hogenaardseloop gedetermineerd hebben.
Michel merkt op dat er in de slotgracht buiten meeuwen en allerlei wilde eenden (serieuze inteelt) nog niet veel op te merken geweest is aan watervogels.
Anderen hebben hier toch al reigers, aalscholvers en futen opgemerkt als passant.
Bij de hulst die we tegenkomen merken we een verschillend soort blad onderaan in vergelijking met bovenaan. Onderaan heeft het blad een stekel, bovenaan is er geen stekel. Als we naar de klimop kijken zien we hier hetzelfde verschijnsel.

Er is hiervoor nog geen sluitende verklaring. Is de stekel onderaan in functie van dierenvraat?

Heeft de hoeveelheid licht hier iets mee te maken (onderaan minder dan boven)?

Ter hoogte van de hooiweide ,naast de weg hebben we nog even stilgestaan bij het verschil tussen een zwarte els en een hazelaar omdat de hier aanwezige hazelaar enkele niet-typische kenmerken (o.a. van knoppen) vertoont. De katjes hebben een donkere kleur en zijn merkelijk korter dan deze van de ‘gewone’ hazelaar.

Dit raadsel is onderwijl opgelost (gecontroleerd op zaterdag 1 februari): Het gaat wel degelijk over onze inheemse Hazelaar, alleen waren hier de katjes nog niet rijp, vandaar de kleinere vorm en de donkere kleur. Vandaag ontdekken we de lichtgroene rijpe katjes

Zo, onze tweede veldexcursie zit erop!

Ik denk dat we weer veel bij geleerd hebben op het gebied van determineren en eens wat dieper kijken naar de dingen. Het is een feit dat het groepselement duidelijk een dynamiek teweegbrengt om de zaken eens beter te bekijken en te doorgronden.

Michel bedankt alle aanwezigen en de nieuwkomers en tot
Zondag 23 maart, aan de Drogenhofhoeve – Schawijkstraat 105, Ranst.

Uw verslaggever van deze excursie: Van Dessel Peter.

Terug
8/12/2013 Verslag veldexcursie 8 december
door
Peter Van Dun
Natuurgids

Omstandigheden: bewolkt, frisse wind maar nog niet echt winter (ongeveer 6 graden)

Noot van de verslaggever: Voor een duidelijke plaatsbepaling gebruikte ik voor het merendeel de  plaatsnamen die Marc Gorrens hanteerde voor het plan dat hij voegde bij zijn terreinstudie.
 
 

Michel heette de groep welkom en sprak zijn tevredenheid uit over de grote opkomst. Hij verklaart de reden van deze veldexcursie: een algemeen beeld krijgen van ons natuurgebied, zonder in detail te treden. De groep gaat observeren, terwijl de verslaggever moet noteren. Daarna gaan we dit verslag corrigeren en valideren om vervolgens te publiceren op onze website.

We namen de weg links voor het kerkhof en hielden even halt aan een weipaal. De gids brak een stukje schors van de paal en wees ons er op dat de afwezigheid van insecten betekent dat de winter nog niet echt begonnen was. Tijdens een gidsbeurt is het steeds interessant om eens op onze zelf gemaakte, dus niet behandelde de weipalen te wijzen, omdat die hun waarde hebben als schuilplaats voor bijvoorbeeld het 14-stippig lieveheersbeestje. Er werd voorgesteld om in een aantal palen (in de naar het zuiden gerichte zijde) gaten te boren met de hoop dat er bijvoorbeeld solitaire bijen in zouden komen wonen. Dit zou een didactische meerwaarde betekenen.

Even verderop in het weggetje naast het kerkhof vertelde John Maes welk deel van het gebied nog van de gemeente Ranst was en welk gedeelte van Natuurpunt. Dit gebiedje werd bebost door de gemeente als compensatie voor het fietspad dat werd aangelegd langs de Vaartstraat.

We merkten op dat er weinig bladverlies was bij de jonge haagbeuk. Michel verzekerde ons dat dit enkel jeugdige overmoed was van de plant. Ik las hierover op het internet het volgende:

“Veel bomen, veel meer dan de meeste mensen weten hebben een z.g.n. jeugdvorm, dat betekent dat de boom in de eerste jaren van zijn leven er een beetje of zelfs heel anders uit ziet, dan die zelfde boom in volwassen vorm.
Zo ook met de beuk, jonge boompjes houden hun blad in de winter vast, als de boom ouder wordt( meer dan 10 jaar) gaat dit verschijnsel weer over en laat hij al zijn blad voor de winter al vallen.
Indien men een beuk gebruikt voor hagen en deze steeds blijft knippen, blijft de jeugdvorm bestaan, hij kan immers door al dat knippen geen volwassen boom worden!
Zo kan het gebeuren dat een oude beukenhaag van 50 jaar nog steeds zijn blad in de winter vast houdt.
Exact de zelfde eigenschappen van dat blad vast houden, doet ook die andere soort, de haagbeuk, hoewel dat bij het ouder worden van de haag wel wat minder is, maar hagen tot 1 m. hoog houden ook al hun blad in de winter.”

Michel vertelde dat sommige processen in de natuur chemische reacties zijn. Zoals een boom die zijn bladeren verliest in de herfst door de verhoogde aanmaak van het hormoon abscisinezuur en de afname van het hormoon auxine. Het verhoogde gehalte van abscisinezuur gaat de sapstroom via de aanmaak van een kurklaagje naar de bladeren toe afsluiten en vervolgens zullen de bladeren afvallen. In de lente zorgt de verhoogde (dankzij meer daglicht) aanmaak van auxine dan weer dat er nieuwe bladeren gevormd worden. Bij de jonge bomen vinden deze chemische reacties nog niet ten volle plaats.

We komen aan de uitgestrekte “Vloeiweide”. We leerden het verschil kennen tussen een vloeibeemd en een vloeiweide. Onze laaggelegen weide met een gracht ernaast die in de winter meermaals overstroomt, is een relict van een vloeibeemd. De winterse overstroming zorgde er voor dat een vruchtbare en mineraalrijke sliblaag op de weide kwam wat in de zomer resulteerde in een hogere hooi productie.

Michel vertelde ons dat dit vroeger een productiegebied is geweest waar men een monocultuur toepaste. De jarenlange, sterke bemesting zorgde voor veel stikstof en fosfaten in de bodem. We laten dit gebied verschralen en gebruiken het een deel van het jaar als hooiweide en later voor na-begrazing door onze Galloway-runderen. De verschraling zorgt niet echt voor opzienbarende resultaten. Al weet John ons toch te vertellen dat langs de Merrebeek, knolsteenbreek in opmars is. We zouden wel eens kunnen proberen om een klein stukje van de weide te plaggen om te kijken wat er nog van materiaal in de zadenbank ter beschikking is. Ook bodemstalen zouden interessant studiemateriaal kunnen opleveren.

We bespraken met John en Eddy de mogelijkheid om dit weidegebied makkelijker toegankelijk te maken voor een bezoek met groepen. Er zal bekeken worden of er meer overstappen of zelfs toegangen in V-vorm kunnen gemaakt worden zoals aan de Galloway- weide langs de grote wandelweg.

 
  Daarna trokken we naar de “Blauwgraslandweide” . Marc Gorrens tracht van dit stukje natuurreservaat een vlinderparadijs te maken. Dit laaggelegen gebied is zeer nat en ook rustig gelegen. Perfect voor vlinders. We maaien hier selectief en creëren zonnige, open plaatsen waar vlinders ook van houden. Marc kon hier al het bruin blauwtje en de parelmoervlinder waarnemen. Op de andere weiden waar het dus droger is, kan men het zandoogje dan weer zien. De vos en de blauwe reiger werden ook al opgemerkt. Monitoring zal ons leren wanneer we best maaien en hooien en ook of we, wat vlinders en dieren betreft, van populaties kunnen spreken of van passanten.
In dit gebied is een 10-tal m² afgegraven (geplagd) om ook te peilen naar de zaadbank. Voorlopig ook weer zonder spectaculaire resultaten.
Wat planten betreft is de verschraling van dit gebied nog zeker niet ver genoeg om van een blauwgrasland te spreken maar de mogelijkheid dat hier orchideeën zullen voorkomen in de toekomst achtte John zeer waarschijnlijk. We zochten naar poelruit maar vonden alleen massaal zegge herkenbaar aan zijn driehoekige steel. John vermoedt dat het moeraszegge is.
Hoe lang we dit gebied als weide gaan beheren is wel onzeker omdat John vertelde dat het de bedoeling van Natuurpunt is om dit nog meer te bebossen. In sommige andere gebieden van Natuurpunt, bijvoorbeeld rond de abdij van Averbode, worden soms bomen gerooid en dat moet men compenseren en zo zou dit gebied wel eens een andere bestemming kunnen krijgen.
 
 

We liepen naar de uitgang van het weidegebied maar niet zonder nog uitgebreid de pas afgewerkte schuilplaats voor onze koeien te bewonderen die de werkploeg onder leiding van Jan onlangs afwerkte. Werkelijk een prachtig resultaat, een nieuwe parel aan de kroon van ons natuurreservaat.
Er werden al plannen gemaakt om rond deze stal te werken op de volgende open-natuurdag in april.
Ook gaan we een kleine opening in de achterwand maken en zo beschikken we dan ook nog over een vogelkijkhut van waaruit we het vogelbestand kunnen monitoren. Eddy vertelde dat hij hier het witgatje reeds opgemerkt had.

De vee-drinkpoel vlakbij de stal werd nog wat meer uitgegraven en hopelijk mogen we hier in de toekomst ook wat meer amfibie-leven verwachten. We menen dat dit een perfecte habitat wordt voor salamanders. Naast de poel kunnen we perfect aan onze bezoekers tonen hoeveel schelpen (kalk) hier in de bodem zit. Het uitgraven van de poel heeft duidelijk gemaakt dat dit hier heel lang geleden de zeebodem was.

Langs de veldweg zien we nog duizendblad in bloei en op één van de dode wilgen langs de kant vinden we Witte Bultzwam en Paarse Knoopzwam.

We staken de Schawijkstraat over en gingen het Bleekbos binnen. We bekeken vanuit dit openbare wandelbos even het beheerswerk dat er de voorbije jaren gebeurd was in het beukenbos, door Marc het Donkerbos genoemd. We kapten haast de helft van de beuken en maakten open plekken. Ook hier zal weer geduld nodig zijn. De jarenlange bladval van de rode beuken zorgde voor een zeer zure bodem.  Op de open plaatsen die we maakten vinden we nu toch al eik, hulst en spork.

De bebossing met de beuken gebeurde hier nog maar begin van de jaren 70 van de vorige eeuw, daarvoor was het hier landbouwgrond. Men plantte beuken om een “proper” bos te hebben. Beuk was en is nog altijd zeer gegeerd als brandhout en nuttig voor de meubelindustrie. Al zou onze rode beuk minder waard zijn dan de witte beuk.
De rode kleurstof waarmee de beuk zich tegen zonnebrand beschermt noemen we anthocyaan. Deze kleurstof treffen we in vele planten en vruchten van die planten aan. Bosanemoon en vlierbes zijn maar enkele voorbeelden.

 

 

We wandelden langs het Duivelsbruggetje door de Bosdreef en hielden even halt bij het Rabattenbos. Dit elzen-essenbos wordt weinig betreden maar dit is zonde want echt wel een interessant gebied. Hier werd de houtsnip al opgemerkt. Michel vroeg om ook een overstap of een poortje te maken ergens halverwege de Gallowayweide zodat we met de werkgroep door dit bos rechtstreeks in de weide kunnen komen, ergens in de buurt van de Paddenpoel.  In de poelen in de beide weiden vonden we al de kleine watersalamander en kikkerdril.

Dan kwamen we dus aan de Gallowayweide. Tot ongeveer 10 jaar geleden was dit een (over)bemest maïsveld. Hard werk en veel maaien gaf al een fraai resultaat en op termijn maken we hier een terug een mooi grasland van. De akkerdistel werd al fel teruggedrongen maar nu overheerst nog wel het heelblaadje. Dit zullen we in het oog moeten houden en zeker ook indijken want de Hooiweide die grenst aan de kasteelvijver is nu al een pareltje dat we moeten beschermen en koesteren. De soortenrijkdom die we hierin terugvinden met onder andere knolsteenbreek, is fenomenaal. Dirk merkt op dat de overheersing van het heelblaadje een fase is die zal overgaan na verloop van tijd. Toch vraagt de bescherming van de Hooiweide om extra aandacht.

We wandelden langs het kasteel en de grot en kwamen terug in ons natuurreservaat. In de dreef met de oude sparren staan we nog eens stil bij het belang om deze bomen te behouden. Zij zijn een gedroomde schuil- en rustplaats voor het goudhaantje, staartmees, kuifmees, enz.

Iets verder zijn we getuige van de bitse strijd die er gevoerd wordt tussen es en esdoorn. Zonder onze zeer kalkrijke bodem zouden de essen al lang het onderspit hebben moeten delven. Vorige winter hebben we ook nog veel esdoorn verwijderd. Dit is misschien wel wat oneerlijk maar zij bedreigen wel zeer flink onze publiekstrekker en  handelsmerk, de voorjaarsbloeiers. 

 
 

Op een platliggende, omgewaaide beuk vinden we platte tonderzwam en wijst Marc ons op de tepelgallen van de tonderzwambreedvoetvlieg. Ook bekend als de tepelgalvlieg.
De enige galvlieg bij ons die paddenstoelen als uitvalsbasis heeft.
http://werthof.home.xs4all.nl/plantengallen/agathomyia/agathomyia.html
http://www.deheimanshof.nl/heimanshof/
http://waarnemingen.be/waarneming/view/71332081
http://waarnemingen.be/waarneming/view/68846803

We wandelden verder langs het Boshuisje en zagen dat cursisten van de Bosgroep Antwerpen in het Driepikkelhoevebos ook nog bezig waren met uitdunning. Deze vereniging organiseert dit soort cursussen op regelmatige basis.
Wat is de Bosgroep? We lezen op hun website: “Een bosgroep heeft als doel u als boseigenaar praktische ondersteuning te bieden bij het beheer van uw bos. In een bosgroep zijn vele boseigenaars uit uw streek verenigd. Samen met hen kan u vrijwillig meewerken aan een mooie toekomst voor het Vlaamse bos. "Baas in eigen bos", dat is het basisprincipe van de bosgroepen. De bosgroepen informeren, adviseren en organiseren, maar u beslist steeds zelf over het beheer van uw bos.”

We leerden het verschil kennen tussen Europese lork en de Japanse lork. Bij ons staat de Japanse variëteit want dixit Wikipedia :“De schubben van de kegelvruchten zijn bij de Japanse lork of Larix kaempferi licht tot duidelijk opgerold, waar ze bij de Europese lork of Larix decidua altijd aanliggend zijn.”

Wat verder wees Dirk De Mey ons op het unieke feit dat in het Naaldbos een haviksnest en een buizerdnest zich vlak naast elkaar bevinden en beiden in gebruik zijn. Een havik laat dit, normaal gezien, nooit toe. Hij is een veel agressievere vogel dan de buizerd, alhoewel familie van elkaar. Een verklaring zou in dit geval kunnen zijn dat hij alles in een bepaalde perimeter als zijn eigen nest beschouwt en zo het buizerdnest ongemoeid liet. Vermoedelijk heeft de aanwezigheid van onze haviken er wel voor gezorgd dat de eekhoorn zo goed als verdwenen is uit ons gebied. Alleszins zijn er geen nesten meer opgemerkt de laatste jaren. Anderzijds zijn eekhoorns opportunisten die dichter bij menselijke bewoning gemakkelijker aan voedsel geraken. Ze worden dan ook vaak aan de randbewoning van het bos aangetroffen.

Michel vroeg ons om uit te zoeken waarom de vrouwtjeshavik veel groter is en haast dubbel zoveel weegt als een mannetjeshavik.

Wat verder vroegen we ons af waarom we zo weinig het maarts viooltje nog terugvinden. Van dit viooltje staat het bloempje op een lange bladloze steel. Dit kunnen we ook nog verder onderzoeken. Misschien heeft het te maken met het opruimen van de bladeren op onze boswegen. Deze worden met de hark aan de kant geveegd en hierdoor wordt misschien dit viooltje beperkt in zijn groei-mogelijkheden.

Aan het einde van het Schuurpad vonden we nog houtknotszwam of dodemansvingers.


 
 

Maar als klap op de vuurpijl en tot verbazing van sommigen die dachten dat ze daarvoor naar de Voerstreek moesten gaan, toonde Eddy ons nog een aantal aardsterren. We veroorzaakten bij deze zwammen nog een orgastische provocatie met de hoop dat zij zullen “gaan en vermenigvuldigen”.
Ondertussen is de aardster gedetermineerd als zijnde de gekraagde aardster - voorkomend in gemengd loofbos en zeldzaam te noemen (Geastrum triplex Jungh)
http://waarnemingen.be/waarneming/view/80558713

Volgende afspraak op zondag  19 januari om 09.00, vertrek aan de Drogenhofschuur

Terug
26/11/2013 Uitstap 4de leerjaar basisschool "Oogappeltje" uit Wommelgem naar het Zevenbergenbos
   

door
Luce Vos
Natuurgids

gids
Michel Levens

Even na 9 zien we de eerste fietsers de weg naar de schuur opdraaien. Juf Els op kop, gevolgd door nieuwsgierige meisjes en jongens, hier en daar ook een verdwaalde mama, papa, oma of opa. De fietsen worden achter aan de schuur ‘gestald’. Ja hoor in een bos zitten beren hoor ik de papa grappen. Daar is de juf met het materiaal en nog enkele kinderen. Als gids, Michel, hen vertelt dat we dadelijk het bos intrekken om opdrachten uit te voeren zie ik kinderogen blinken. Vol spannende verwachting gaat de groep van start.
Aan de poel is het spannend. Op de rand van de vlaspoel zie ik wat geduw en getrek, iedereen wil wel scheppen in die poel! Waar zijn die vissen? Oeps, zo kleine beestjes! Dat was niet onmiddellijk wat verwacht werd. Wel best griezelig. Na wat scheppen vinden we een larve en posthoornslak. We zijn moeilijk van de poel weg te krijgen, maar het bos lonkt en belooft nog andere opdrachten.
We verzamelen grondmonsters, meten vochtigheid en temperatuur. Wat een verschillen!
Kijk, een dikke boom! Een beuk weet de gids. Hoeveel leerlingen hebben we nodig om hem te omringen? We gaan de omtrek echt meten! Het wordt een grote groepsknuffel met een beuk. Straks in de klas maken we dezelfde kring en kunnen we meten.
Welke boom is dit? Hoe kunnen we dit zien? Zoveel soorten bomen dat er zijn! En hier, mijnheer welke kever heb ik hier? Een paddenstoel! Is die eetbaar? Is dit een spinnenhuis? Veel vragen moeten een antwoord. Veel vragen nemen ze mee om verder op te zoeken.

 
Natuurgids Michel Levens Natuurgids Luce Vos
 


De kinderen glunderen. De juffen proberen alles op foto vast te leggen. Onvermijdelijk lokken de stokken – afgebroken takken, die her en der op de grond zijn gevallen. Je kan ermee prikken, je kan er mee zwaaien, je kan ze gooien, je kan….tot de juf zegt : Stokken neer, nu wil ik ze niet meer zien! Even teleurstelling, maar gauw is er iets nieuws wat ook wel leuk lijkt.
Fier en al even uitgelaten vertrekken de leerlingen terug naar hun school. De uitstap was veel te kort. Het bos had vele cross-paadjes die nog niet uitgeprobeerd werden. Een volgende keer misschien. Nu eerst de grondmonsters in de klas verder onderzoeken. Eens kijken of het water inderdaad zo zuurstofrijk is zoals de gids beweerde. Nog zoveel te onderzoeken, nog zoveel te ontdekken. Tot een zaterdag of een woensdagnamiddag? Neem je mama en papa mee en vertel ze wat je gezien hebt. Wie weet verbaas je hen wel.

 

Zie de enthousiaste reacties van de kinderen op de verschillende blogs
op www.hetoogappeltje.be:

Terug
16/11/2013 Aankondiging ontstaan via eerste nieuwsbrief

verschenen in Nieuwsbrief
16 nov 2013

door
Michel Levens
voorzitter werkgroep
gidsen
Zevenbergen-
bos

Iedereen weet dat onze natuur van groot belang is voor onze samenleving nu en in de toekomst, maar weten we wat er zich allemaal afspeelt in die natuur. Ik herinner mezelf dat ik in periodes van beroepsdrukte even een wandeling ging maken in het Zevenbergenbos. Ik volgde quasi steeds hetzelfde parcours en onbewust stelde ik vast dat de groene omgeving rondom mij er steeds anders uitzag. Ik begon erop te letten en geraakte gefascineerd door de natuur schoonheid en de ingenieuze manier waarop de groene omgeving zich ontwikkelde en manifesteerde. Mijn interesse was gewekt en ging mij meer verdiepen in de natuur (o.a. via natuurboeken, natuureducatie, excursies met gidsen). Ik moet zeggen dat ik na tien jaar en met een beetje meer natuurkennis al heel mooie en boeiende zaken heb mogen beleven in de natuur, simpel door observatie en opzoekwerk maar vooral door kennisdeling met ander in de natuur geïnteresseerde mensen.

Recentelijk hebben wij binnen Natuurpunt Zevenbergenbos een nieuwe werkgroep opgericht “Werkgroep Gidsen Zevenbergen”. Eén van de belangrijkste doelen van deze werkgroep is net de kennis overdragen naar gidsen alsook naar natuurliefhebbers. Tevens gaan we met deze werkgroep het Zevenbergenbos exploreren, observeren, monitoren en inventariseren de komende jaren (via veldexcursies en onderling groepsoverleg). Uit de veldexcursie verslagen kunnen we in groep conclusies trekken en bijvoorbeeld bepaalde voorstellen als mogelijke beheersmaatregelen lanceren of een terrein werkzaamheid uitvoeren.

Om deel uit te maken van de werkgroep hoef je geen natuurgids te zijn en ook natuurkennis is geen must, de enige vereiste is interesse hebben in de natuur en het gebeuren errond. Jong en oud, iedereen is van harte welkom. Door de onderlinge kennisdeling in de groep zal je sowieso natuur kennis allerlei opdoen op een ongecompliceerde en ongedwongen manier. Je kunt mee observeren en inventariseren en uitvoeren.

Heb je interesse om mee te doen met de werkgroep gidsen Zevenbergen!
Kom dan eerstvolgende veldexcursie als kennismaking.

Terug
29/10/2013 Kick off vergadering
 

 

 

Op deze eerste vergadering werden volgende punten besproken:

  • Doelstellingen
  • gidsbeurten : vaste gidsbeurten / gidsbeurten op aanvraag / kostprijs
  • monitoren : bepalen welke percelen we het eerst gaan monitoren/ opstellen monitorverslagen/ archiveren/ plannen eerste monitorsessie op het veld
  • uitbreiden kennis: natuurkennis/ kennis Zevenbergen/ beheersplan en jaar uitvoeringsplan
  • opstellen gidsrichtlijnen / doelgroep gidsprogramma opstellen/aantrekken nieuwe gidsen of geïntersseerden / successie van kennis